Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:840

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2020
Datum publicatie
06-04-2020
Zaaknummer
18/1092 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering een WIA-uitkering toe te kennen. De rapporten van de verzekeringsartsen zijn zorgvuldig tot stand gekomen er is voldoende gemotiveerd waarom er niet meer beperkingen of een uitgebreidere urenbeperking aangenomen moeten worden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd waarom appellant met zijn beperkingen in de geselecteerde voorbeeldfuncties kan werken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1092 WIA

Datum uitspraak: 1 april 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2018, 17/4466 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft dr. mr. E. Tahitu, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Geen van partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als postbode voor 16,93 uur per week. Op 24 maart 2015 heeft appellant zich ziek gemeld. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 februari 2017. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 0%. Bij besluit van 22 februari 2017 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 21 maart 2017 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 22 juni 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen een rapport van 1 juni 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, een (nieuwe) FML van 31 mei 2017 en een rapport van 21 juni 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – samengevat – overwogen dat de rapporten van de verzekeringsartsen zorgvuldig tot stand zijn gekomen en dat voldoende is gemotiveerd waarom er niet meer beperkingen of een uitgebreidere urenbeperking aangenomen moeten worden. De door appellant in beroep overgelegde medische stukken zien niet op de datum in geding en het stuk van de bedrijfsarts wordt daarnaast ook niet met medische stukken onderbouwd. Verder is de rechtbank van oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd waarom appellant met zijn beperkingen in de geselecteerde voorbeeldfuncties kan werken. Het verschil tussen het loon dat appellant als postbode verdiende en het loon dat hij met de geselecteerde functies nog kan verdienen, en dus de mate van arbeidsongeschiktheid, is daarom terecht vastgesteld op 0%.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat het niet aannemelijk is dat hij op 21 maart 2017, de datum in geding, 0% arbeidsongeschikt was. Ten onrechte hebben de rechtbank en het Uwv de in beroep ingebrachte verklaring van de bedrijfsarts, die appellant op 21 juli 2017 heeft onderzocht, niet meegewogen omdat de verklaring niet met medische stukken is onderbouwd. Dat er geen onderliggende medische stukken zijn bijgevoegd, maakt de verklaring niet onbruikbaar. Een dergelijke stelling ondermijnt de geloofwaardigheid van de bedrijfsarts als medicus. Ook is ten onrechte gesteld dat de verklaring van de bedrijfsarts niet ziet op de datum in geding. Appellant had reeds lange tijd, ook ver voor de datum in geding, medische problemen waardoor hij niet kan werken. Dat de bedrijfsarts hem pas op 21 juli 2017 heeft onderzocht en een verklaring heeft afgegeven dat sprake is van beperkingen (waardoor appellant de komende 26 weken niet kan werken), betekent niet dat niet op 21 maart 2017 al sprake was van die beperkingen. Het is aannemelijk dat die beperkingen er toen reeds waren.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 21 maart 2017 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen.

4.3.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van zijn gronden in beroep. De rechtbank heeft die gronden afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daartoe hebben geleid, worden onderschreven.

4.4.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat uit de verklaring van de bedrijfsarts niet kan worden afgeleid dat appellant op de datum in geding meer beperkingen had dan door het Uwv zijn aangenomen. De rechtbank heeft daarbij terecht relevant geacht dat de verklaring niet ziet op de datum in geding, 21 maart 2017, en niet is onderbouwd met medische stukken. Daaraan wordt, ter verduidelijking, toegevoegd dat het hier gaat om een zogenoemd actueel oordeel dat ziet op de situatie van appellant op 21 juli 2017 en een prognose ten aanzien van de ontwikkelingen in de 26 weken daarna in het kader van een ontslagaanvraag van de werkgever van appellant. De bedrijfsarts constateert dat appellant op 21 juli 2017 geen werkzaamheden verricht en dat hij onder behandeling is bij diverse specialisten. De bedrijfsarts vermeldt niet welke behandelingen en specialisten dit zijn. De bedrijfsarts concludeert vervolgens dat redelijkerwijs niet is te verwachten dat appellant binnen 26 weken arbeidsvermogen zal ontwikkelen. De bedrijfsarts maakt niet met concrete medische gegevens inzichtelijk hoe hij tot deze conclusie komt. Gelet hierop kan de verklaring van de bedrijfsarts niet dienen ter onderbouwing van de stelling van appellant dat aannemelijk is dat hij ook op 21 maart 2017 al dusdanige beperkingen had dat hij in het geheel niet kon werken.

4.5.

Uitgaande van de juistheid van de in de FML van 31 mei 2017 opgenomen beperkingen, wordt de rechtbank ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

4.6.

Het Uwv heeft daarom terecht vastgesteld dat appellant met ingang van 21 maart 2017 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2020.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) H. Spaargaren