Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:835

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
06-04-2020
Zaaknummer
17/7078 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken bijstand en afwijzen nieuwe aanvragen. Niet gemeld bezit van onroerend goed. Thema controle is niet in strijd net discriminatieverbod. Eigendom toe te rekenen aan appellante

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2020/111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/7078 PW, 17/7079 PW, 17/7080 PW, 17/7081 PW

Datum uitspraak: 17 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
22 september 2017, 16/1593, 16/3137, 17/652 en 17/569 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2020. Namens appellante is mr. Küçükünal verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 1 januari 1997 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande en vanaf 1 juli 2015 met toepassing van de kostendelersnorm. Zij is in 1987 Turkije gehuwd met X en in Nederland naar Nederlands recht op 8 januari 2002 van hem gescheiden. Naar Turks recht is zij met X gehuwd gebleven.

1.2.

In het kader van een themacontrole op bezit van onroerende zaken (themacontrole) hebben een handhavingsmedewerker en sociaal rechercheurs van de gemeente Venlo een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand.

1.2.1.

In dat kader heeft de handhavingsmedewerker Bureau Buitenland ingeschakeld om onderzoek te laten doen naar op naam van appellante geregistreerde onroerende zaken in Turkije. Bureau Buitenland heeft hiervoor gebruik gemaakt van de diensten van Juridisch Bureau Rain (Rain). Rain heeft de bevindingen van het in Turkije verrichte onderzoek opgenomen in een rapport van 15 juni 2015. In dat rapport is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld. Op naam van appellante staat in het kadastraal Register van het district [district] geregistreerd een appartement op het adres A te [gemeente] (appartement). Appellante heeft dat appartement verkregen door aankoop op 19 juli 2007. De taxatiewaarde bedroeg op 26 mei 2015 250.000 Turkse Lira (TL) (omgerekend € 89.000,-). Op naam van X staan in het kadastraal register van de provincie [provincie] geregistreerd twee percelen, beide verkregen op 8 juli 2008.

1.2.2.

Op 9 november 2015 hebben de sociaal rechercheurs appellante gehoord en haar geconfronteerd met de bevindingen van het in Turkije uitgevoerde onderzoek.

1.2.3.

De bevindingen van het onderzoek zijn opgenomen in een rapport van 9 december 2015.

1.3.

Het appartement is op 11 november 2015 overgeschreven op naam van de moeder van appellante. Volgens de eigendomsakte (tapu senedi) bedraagt de verkoopprijs van het appartement 120.000 TL (omgerekend ongeveer € 40.000,-).

1.4.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest bij besluit van 10 december 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 mei 2016 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellante met ingang van 9 november 2015 in te trekken. Bestreden besluit 1 berust op de volgende grondslag. Appellante heeft tot 11 november 2015 niet voldaan aan de op haar rustende inlichtingenverplichting door geen melding te maken van het bezit van de onder 1.2.1 genoemde onroerende zaken in Turkije. De getaxeerde waarde van deze onroerende zaken is hoger dan de voor appellante geldende vermogensgrens van € 5.895,-, zodat tot 11 november 2015 geen recht op bijstand bestond. Daarnaast heeft appellante onvoldoende objectieve en verifieerbare gegevens verschaft over de overdracht van het appartement op 11 november 2015 aan haar moeder. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand vanaf 11 november 2015 niet worden vastgesteld.

1.5.

Appellante heeft zich op 11 januari 2016 gemeld voor het aanvragen van bijstand. De daartoe strekkende aanvraag heeft zij op 3 februari 2016 ingediend. Bij besluit van 14 april 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 september 2016 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellante onvoldoende inzicht heeft verschaft in haar financiële situatie voorafgaand aan de aanvraag, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.6.

Appellante heeft zich op 1 juni 2016 opnieuw gemeld voor het aanvragen van bijstand. De daartoe strekkende aanvraag heeft zij op 17 juni 2016 ingediend. Bij besluit van 29 juli 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 januari 2017 (bestreden besluit 3), heeft het college ook deze aanvraag afgewezen. Aan deze afwijzing heeft het college, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat appellante niet heeft aangetoond dat haar omstandigheden zijn gewijzigd, in die zin dat zij per 1 juni 2016 voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.

1.7.

Twee handhavingsmedewerkers hebben een vervolgonderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante in de periode vóór 9 november 2015 verleende bijstand. In het kader van dat onderzoek hebben zij informatie opgevraagd bij appellante en haar gehoord op 27 juli 2016. De bevindingen van dit onderzoek zijn opgenomen in een rapport van 19 september 2016.

1.8.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest bij besluit van 19 september 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 februari 2017 (bestreden besluit 4), de bijstand van appellante in te trekken over de periode van 19 juli 2007 tot 9 november 2015 en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 86.250,98 van haar terug te vorderen. Aan bestreden besluit 4 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet heeft gemeld dat zij beschikte over onroerend zaken. De waarde daarvan lag gedurende de gehele hiervoor genoemde periode boven de voor haar geldende vermogensgrens, zodat zij in die periode geen recht had op bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden, zoals ter zitting toegelicht, tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft als meest verstrekkende beroepsgrond aangevoerd dat de door Bureau Buitenland verkregen onderzoeksresultaten niet aan de besluitvorming ten grondslag mogen worden gelegd wegens strijd met het verbod op discriminatie zoals neergelegd in artikel 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Hiertoe heeft appellant naar voren gebracht dat het college met het onderzoek ongerechtvaardigd onderscheid naar nationaliteit heeft gemaakt, omdat alleen onderzoek is gedaan naar bijstandsgerechtigden van Turkse afkomst.

4.2.

Deze beroepsgrond treft geen doel. Zoals eerder geoordeeld (zie onder meer de uitspraken van 6 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2613, en van 8 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3195) is bij het in het kader van de themacontrole verrichte onderzoek niet gehandeld in strijd met het discriminatieverbod. Er bestaat geen aanleiding daarover in dit geding anders te oordelen. De enkele stelling van appellante, zoals ter zitting toegelicht, dat bij andere onderzoeken andere leeftijdscriteria zijn gehanteerd, is niet voldoende voor een ander oordeel, alleen al omdat de gedingstukken daarvan geen blijk geven.

4.3.

De beroepsgrond dat het appartement niet het eigendom van appellante was, maar van haar moeder, en dat appellante dus niet kon beschikken over het appartement, slaagt niet. Vaststaat dat het appartement tot 11 november 2015 op naam van appellante stond geregistreerd en dat appellante hiervan geen melding heeft gemaakt bij het college. Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan genoteerd, is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellante is hierin niet geslaagd. De enkele niet onderbouwde stelling dat het appartement van haar moeder was en nooit van appellante is geweest, is daartoe niet toereikend.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en W.F. Claessens en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van F.H.R.M. Robbers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2020.

(getekend) P.W. van Straalen

De griffier is verhinderd te ondertekenen.