Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:827

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2020
Datum publicatie
06-04-2020
Zaaknummer
20/728 PW-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen in die zin dat voorschotten worden verleend. Afwegen van belangen. Belang appellante en haar gezin is groter dan belang van college dat zonder rechtsgrond publieke middelen worden verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2020/140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20/ 728 PW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Datum uitspraak: 30 maart 2020

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch (college)

PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld.

Namens verzoekster heeft mr. Y.E. Verkouter, advocaat, een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. Verzoekster heeft nadere stukken ingediend.

Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de behandeling van dit verzoek op een zitting achterwege gebleven.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoekster en haar echtgenoot ontvingen met hun vijf inwonende kinderen tot 1 augustus 2017 bijstand naar de norm voor gehuwden laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). De uitkering is beëindigd omdat verzoekster en haar echtgenoot niet zijn verschenen op oproepen van het college.

1.2.

Verzoekster heeft zich op 9 februari 2018 gemeld om opnieuw bijstand aan te vragen. De aanvraag is op 2 maart 2018 ingediend. Verzoekster heeft bij de aanvraag een beroep gedaan op artikel 43, derde lid, van de PW omdat haar echtgenoot niet wil meewerken aan het indienen van de aanvraag.

1.3.

Bij brief van 22 februari 2018 heeft een medewerker van de dienst werk en inkomen van het college (medewerker) verzoekster gevraagd ook een aanvraagformulier namens haar echtgenoot in te vullen. Ook verzoekt de medewerker verzoekster, indien haar echtgenoot in behandeling is bij de GGZ, daarvan bewijs over te leggen.

1.4.

Bij brief van 12 maart 2018 heeft de medewerker verzoekster laten weten dat zij niet alle informatie die op de checklist bij de aanvraag is gevraagd heeft overgelegd. Onder meer ontbreken het ingevulde en ondertekende aanvraagformulier van haar echtgenoot en zijn bankafschriften. Verzoekster krijgt tot 20 maart 2018 de tijd om de ontbrekende informatie in te leveren.

1.5.

Bij brief van 20 maart 2018 heeft de medewerker verzoekster laten weten dat de gevraagde informatie nog altijd niet compleet is. De medewerker heeft verzoekster en haar echtgenoot uitgenodigd voor een gesprek op 26 maart 2018.

1.6.

Verzoekster is alleen naar deze afspraak gekomen. Zij verklaart dat haar echtgenoot niet mee wil komen naar de afspraak. Hij wil niets met het college te maken hebben door negatieve ervaringen uit het verleden. Hij heeft psychische klachten en weigert mee te werken aan het indienen van een aanvraag. Verzoekster heeft een brief van de huisarts van 19 februari 2018 en een brief van een maatschappelijk werker van Juvans van 23 februari 2018 overgelegd.

1.7.

Bij besluit van 27 maart 2018, gehandhaafd bij besluit van 27 augustus 2018 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college heeft daartoe overwogen dat geen sprake is van een expliciete weigering van de echtgenoot om mee te werken aan het indienen van een aanvraag zoals bedoeld in artikel 43, derde lid, van de PW. Verzoekster heeft onvoldoende financiële gegevens overgelegd om het recht op bijstand van de gehuwden vast te stellen. Daarnaast is niet gebleken dat de echtgenoot van verzoekster niet aan de verplichtingen kan voldoen die de Participatiewet stelt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoekster, na tussenuitspraak, gegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de PW waarin de echtgenoot zijn wil niet kenbaar kan maken. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting echter wel voldoende dat de echtgenoot weigert om aan de aanvraag mee te werken als bedoeld in artikel 43, derde lid, van de PW. Hiertoe is niet vereist dat de echtgenoot de ten overstaan van verzoekster geuite weigering uitdrukkelijk tegenover het college herhaalt. Voldoende is dat het college kan vaststellen dat de echtgenoot weigert mee te werken aan de aanvraag. Nu de gemachtigde van het college ter zitting bij de voorzieningenrechter van de rechtbank meerdere malen heeft verklaard dat de financiële situatie van het gezin helder is en dat bijstand zou zijn toegekend als de aanvraag ook door de echtgenoot zou zijn ondertekend, heeft de rechtbank geoordeeld dat het college de stelling dat het recht niet kan worden vastgesteld onvoldoende heeft onderbouwd. Hierbij speelt ook dat de gemachtigde van verzoekster heeft gesteld dat de echtgenoot van verzoekster niet over een bankrekening beschikt. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen opnieuw op de bezwaren van verzoekster te beslissen.

3. Het college heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Verzoekster heeft een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan. Het verzoek strekt ertoe dat aan verzoekster lopende de hoger beroepsprocedure, bij wijze van voorschot, bijstand naar de norm voor gehuwden wordt toegekend.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb, in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel spoedeisend belang. Daarvan is in deze zaak voldoende gebleken.

4.3.

Voor het treffen van een voorlopige voorziening moet worden bezien of, op grond van een afweging van de wederzijds in aanmerking komende belangen bij een al dan niet onmiddellijke uitvoering van de aangevallen uitspraak, het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen.

4.4.

Het college betoogt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak een te ruime uitleg heeft gegeven aan artikel 43, derde lid, van de PW. Naar het oordeel van het college moet de echtgenoot van verzoekster uitdrukkelijk kenbaar maken dat hij niet instemt met de aanvraag. Het college vraagt de Raad uitspraak te doen over de reikwijdte en de duiding van artikel 43, derde lid, van de PW.

4.5.

De procedure in voorlopige voorziening leent zich niet voor de beoordeling van een vraagpunt als genoemd in 4.4. De bodemprocedure zal door een meervoudige kamer van de Raad in behandeling worden genomen. De voorzieningenrechter ziet tegen deze achtergrond aanleiding een voorlopig oordeel over het geschil in de bodemprocedure achterwege te laten en zich in dit geval te beperken tot een afweging van de betrokken belangen bij een al dan niet onmiddellijke uitvoering van de aangevallen uitspraak.

4.6.

Het belang van verzoekster dat zij in haar levensonderhoud kan voorzien en dat onomkeerbare gevolgen worden voorkomen tot het moment dat de meervoudige kamer zich over de zaak heeft uitgelaten, weegt in deze situatie zwaarder dan het financiële belang dat niet zonder rechtsgrond publieke middelen worden besteed. Hierbij hecht de voorzieningenrechter belang aan het feit dat het gezin van verzoekster bestaat uit vijf inwonende kinderen, waarvan er vier minderjarig zijn. Daarbij heeft de gemachtigde van het college ter zitting bij de voorzieningenrechter van de rechtbank verklaard dat de financiële situatie van verzoekster voldoende duidelijk is, zodat het ervoor kan worden gehouden dat verzoekster in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.

4.7.

Gelet op 4.5 en 4.6 zal de voorzieningenrechter bij wege van voorlopige voorziening bepalen dat het college aan verzoekster met ingang van 18 februari 2020 (de datum van het verzoek om voorlopige voorziening) voorschotten verleent ter hoogte van 90% van de bijstandsnorm voor gehuwden tot de datum waarop in het hoger beroep van het college uitspraak wordt gedaan.

5. De voorzieningenrechter ziet aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van verzoekster. Deze kosten worden begroot op € 525,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

  • -

    bepaalt dat het college met ingang van 18 februari 2020 aan verzoekster voorschotten op algemene bijstand verleent ter hoogte van 90% van de bijstandsnorm voor gehuwden tot de datum waarop in het hoger beroep van het college uitspraak wordt gedaan;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 525,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan verzoekster het betaalde griffierecht van € 131,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2020.

(getekend) M. Hillen

(getekend) R.B.E. van Nimwegen