Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:825

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
06-04-2020
Zaaknummer
18/995 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:594, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen bijstand. Niet gemelde werkzaamheden in eigen nagelstudio. Schending inlichtingenplicht. Geen dringende redenen. Gewijzigde omstandigheden en aanvullend recht niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/ 995 PW, 18/996 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 31 maart 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 februari 2018, 17/2172 en 17/3624 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Breda (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Akça-Altun, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Akça-Altun. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

M.A.A. Govers.

Na de zitting heeft mr. Akça-Altun bij brief van 20 februari 2020 een e-mailbericht van dezelfde datum overgelegd, waarin F. Zuiddam, in zijn hoedanigheid als bewindvoerder van appellante, toestemming verleent voor het voeren van de hoger beroepsprocedure.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 24 juni 2002 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme tip heeft een medewerker van de afdeling Toezicht en handhaving, team Fraudebestrijding en Bouwtoezicht van de directie Dienstverlening van de gemeente Breda (medewerker), nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de medewerker onder meer waarnemingen verricht bij het uitkeringsadres en internetonderzoek (onder andere op Facebook) gedaan. De medewerker heeft op 7 november 2016 om 09.10 uur een onaangekondigd huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres en appellante diezelfde dag om 13.00 uur gehoord. Appellante is tijdens het gesprek vertrokken.

1.3.

Bij besluit van 7 november 2016 heeft het college het recht op bijstand met ingang van

7 november 2016 opgeschort omdat appellante het gesprek op 7 november 2016 voortijdig heeft verlaten en niet de informatie heeft verstrekt die nodig is om het recht op bijstand vast te stellen. Appellante is daarbij in de gelegenheid gesteld om ontbrekende gegevens over te leggen vóór 14 november 2016. Het college heeft op 14 november 2016 enkele gegevens van appellante ontvangen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 17 november 2016.

1.4.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van

23 november 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 maart 2017 (bestreden

besluit 1), de bijstand vanaf 11 februari 2014 ingetrokken en de over de periode van 11 februari 2014 tot 1 november 2016 gemaakte kosten van (bijzondere) bijstand tot een bedrag van (opgeteld) € 46.555,20 van appellante teruggevorderd. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de door haar verrichte werkzaamheden als nagelstyliste, van de verkoop van producten op het gebied van nagelverzorging, en van de verkoop van sieraden en ‘loom’ artikelen. Appellante beschikt niet over een administratie of boekhouding van deze werkzaamheden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.5.

Appellante heeft zich op 29 november 2016 gemeld om bijstand aan te vragen.

1.6.

Bij besluit van 15 december 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 mei 2017 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante niet heeft aangetoond dat zich een relevante wijziging in haar omstandigheden heeft voorgedaan, in die zin dat nu wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 11 februari 2014 tot 23 november 2016.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat voor het huisbezoek op 7 november 2016 geen redelijke grond bestond omdat het college op een andere effectieve en voor appellante minder belastende wijze duidelijkheid had kunnen verkrijgen over haar werkzaamheden door appellante uit te nodigen voor een gesprek. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.3.

Tijdens de waarnemingen op 22 december 2015 en 12 januari 2016 is gezien dat appellante in de woning bezig was met een andere persoon – een vrouw –, vermoedelijk met het verzorgen van nagels. De vrouw zat tegenover appellante, die aan het werk was. Er hing een grote lamp boven beide personen. Daarnaast zijn op internet berichten van appellante gevonden waarin zij het ‘stylen’ van nagels aanbiedt met prijslijsten. Op grond van deze informatie kon bij het college redelijkerwijs twijfel bestaan over mogelijke werkzaamheden die appellante in haar huis verrichtte. Dit kon door het college niet op een andere effectieve en voor appellante minder ingrijpende wijze worden geverifieerd dan door middel van een huisbezoek. Als het college appellante eerst zou hebben uitgenodigd voor een gesprek over eventuele werkzaamheden bestond de mogelijkheid dat appellante in haar huis tussentijds een wijziging zou aanbrengen, waardoor het huisbezoek als controlemiddel sterk aan effectiviteit zou inboeten. Dat deze mogelijkheid reëel aanwezig was, blijkt uit de aantekening in het rapport dat appellante, nadat zij inkomenstoeslag had aangevraagd en deze aanvraag was afgewezen, omdat de klantmanager in de beschikking melding had gemaakt over de vermoedelijke handel in nagels en sieraden van appellante, al haar Facebookpagina’s over het aanbieden van sieraden en nagels had verwijderd.

4.4.

Appellante betwist dat zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat geen sprake was van op geld waardeerbare werkzaamheden. Appellante is op 7 september 2015 begonnen met een opleiding als nagelstyliste en heeft op 12 december 2016 haar diploma behaald. In het kader van deze opleiding heeft appellante thuis aan haar bureau geoefend met het doen van nagels bij vrienden en familie. Zij heeft voor haar oefenactiviteiten geen geld ontvangen. Van een echte nagelstudio was geen sprake. Appellante stond niet ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

4.5.

Tijdens het huisbezoek op 7 november 2016 is een geheel ingerichte nagelstudio in de woning van appellante aangetroffen. Certificaten hingen aan de muur en een voorraad aan benodigdheden voor het behandelen van nagels is aangetroffen. Verder blijkt uit het internetonderzoek dat appellante al op 11 februari 2014 online bezig was met het werven van klanten, waarbij voor de verschillende werkzaamheden ook prijzen staan vermeld. Ook daarna heeft appellante op internet reclame gemaakt voor haar nagelstudio. Dat appellante stelt dat zij voor het doen van nagels geen vergoeding heeft ontvangen staat haaks op de online vermelde prijzen. Bovendien betekent dit niet dat zij daar geen vergoeding voor had kunnen vragen. Daarnaast heeft appellante op internet sieraden te koop aangeboden en verkocht. Uit de door haar overgelegde bankafschriften blijkt dat zij uit de verkoop daarvan vergoedingen heeft ontvangen. Gelet op de aard en de omvang van al deze activiteiten van appellante is sprake van het verrichten van op geld waardeerbare arbeid. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646) is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Van betekenis is in dit verband dat voor de verlening van bijstand niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken.

4.6.

Appellante heeft bij het college geen melding gemaakt van haar werkzaamheden en verkoopactiviteiten. Nu het appellante redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn geweest dat haar activiteiten voor de verlening van de bijstand van belang konden zijn, heeft appellante daarmee de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden.

4.7.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.8.

Appellante heeft van haar werkzaamheden als nagelstyliste en de verkoop van sieraden geen deugdelijke administratie of boekhouding overgelegd waaruit valt af te leiden welke omvang de werkzaamheden en verkoopactiviteiten hadden en hoe hoog de inkomsten daaruit zijn geweest. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van appellante over de te beoordelen periode niet is vast te stellen, ook niet schattenderwijs. Het college was daarom gehouden de bijstand over de te beoordelen periode in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen van appellante.

4.9.

Appellante heeft verder aangevoerd dat er dringende redenen zijn op grond waarvan het college van terugvordering moet afzien. Zij heeft veel schulden en zij is onder meerderjarigenbewind gesteld omdat zij niet in staat is om zelf haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Daarnaast lijdt appellante aan een chronische depressie en is zij gediagnosticeerd met ADHD en borderline persoonlijkheidsstoornis.

4.10.

Dringende redenen doen zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. In die gevallen zal een individuele afweging van alle relevante omstandigheden moeten plaatsvinden. Degene die zich beroept op dringende redenen, moet die redenen aannemelijk maken.

4.11.

Wat appellante heeft aangevoerd vormt geen dringende reden als bedoeld onder 4.10. Financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich voorts in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. Daarbij heeft appellante als schuldenaar bescherming, of kan zij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Afwijzing aanvraag

4.12.

De te beoordelen periode loopt van 29 november 2016 tot en met 15 december 2016.

4.13.

Indien periodieke bijstand is beëindigd of ingetrokken en de betrokkene een aanvraag indient gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.

4.14.

Appellante heeft geen gewijzigde omstandigheden aangevoerd. Bovendien is tijdens een huisbezoek op 6 december 2016 gebleken dat in de woning van appellante nog altijd een geheel ingerichte nagelstudio aanwezig is. Op 8 december 2016 is op de Facebookpagina van appellante gezien dat appellante nog actief is als nagelstyliste. Hieruit blijkt dat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden, in die zin dat appellante voldoet aan de voorwaarden voor bijstandverlening. Het college heeft de aanvraag dan ook terecht afgewezen.

Conclusie

4.15.

Uit 4.2 tot en met 4.14 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. Hillen en M. van Paridon als leden, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2020.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) S.H.H. Slaats