Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:819

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2020
Datum publicatie
02-04-2020
Zaaknummer
17/3623 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning Wajong-uitkering in bezwaar. Herhaalde aanvraag. Geen volledige heroverweging. Geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Ingangsdatum. Geen bijzonder geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/192
NJB 2020/994
USZ 2020/143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3623 WAJONG

Datum uitspraak: 26 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
16 maart 2017, 16/5355 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.E. van der Bent, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2019. Namens appellante is mr. Van der Bent verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren [in] 1973, heeft met een door het Uwv op 7 juli 2010 ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Bij besluit van 6 oktober 2010 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen. Bij besluit van 23 februari 2011 heeft het Uwv het door appellante hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 februari 2011 ten grondslag, waarin is geconcludeerd dat er onvoldoende medisch objectieve gegevens zijn om een oordeel te kunnen geven over de belastbaarheid van appellante op haar zeventiende en achttiende jaar.

1.2.

Appellante heeft met een door het Uwv op 6 januari 2016 ontvangen formulier opnieuw een aanvraag ingediend om een Wajong-uitkering. Bij besluit van 21 januari 2016 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen. Bij besluit van 27 juli 2016 heeft het Uwv het door appellante hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en haar per 6 januari 2015 alsnog in aanmerking gebracht voor een Wajong-uitkering. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 juni 2016, 4 juli 2016 en 7 juli 2016 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 14 juli 2016 ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) of van toegenomen arbeidsongeschiktheid, maar dat het medisch feitencomplex wel aanleiding geeft om voor de toekomst terug te komen van het besluit van 6 oktober 2010.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven om terug te komen van het eerdere besluit. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 3:29, tweede lid, van de Wajong, zodat het Uwv de ingangsdatum van de uitkering terecht heeft vastgesteld op 6 januari 2015.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van
31 januari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:365), aangevoerd dat het Uwv de herhaalde aanvraag integraal inhoudelijk heeft beoordeeld en daarom niet mocht volstaan met een afwijzing op grond van artikel 4:6 van de Awb. Verder heeft zij aangevoerd dat het Uwv ten onrechte niet heeft beoordeeld of sprake is van evidente onredelijkheid. Het bestreden besluit is evident onredelijk, nu het Uwv op basis van hetzelfde feitenmateriaal een ander besluit heeft genomen dan in 2010. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante verwezen naar de uitspraak van de Raad van 4 mei 2000 (ECLI:NL:CRVB:2000:AN6392). Appellante heeft ten slotte, onder verwijzing naar onder meer de uitspraak van de Raad van 15 juni 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2233), herhaald dat de ingangsdatum van de uitkering meer dan één jaar voor de datum van de herhaalde aanvraag moet liggen. Hiertoe heeft appellante aangevoerd dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 3:29, tweede lid, van de Wajong, nu het haar wegens het ontbreken van ziekte-inzicht redelijkerwijs niet aan te rekenen is dat zij de aanvraag te laat heeft ingediend. De rechtbank heeft ten onrechte het in dit licht gedane verzoek tot benoeming van een deskundige afgewezen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het standpunt van appellante dat een integrale inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden en het bestreden besluit moet worden getoetst als ware het een eerste besluit op de aanvraag van 6 januari 2016, wordt niet gevolgd. Dat de door appellante in de bezwaarfase overgelegde medische stukken zijn voorgelegd aan een verzekeringsarts bezwaar en beroep betekent niet dat sprake is geweest van een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag, voor zover die zag op een herziening van het besluit van 6 oktober 2010 voor het verleden. De stukken zijn voorgelegd ter beoordeling of sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven om terug te komen van dat eerdere besluit. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd uiteengezet dat de diagnoses en ziekteverschijnselen van appellante al bekend waren bij de beoordeling in 2010. Van een heroverweging in volle omvang van het besluit van 6 oktober 2010 is in zoverre geen sprake geweest. De aanvraag van appellante – voor zover daarmee is beoogd dat het Uwv voor het verleden terugkomt van het besluit van 6 oktober 2010 – is door het Uwv terecht afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

4.2.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht en op juiste gronden geoordeeld dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat wat appellante heeft vermeld bij haar aanvraag van 6 januari 2016 en naar voren heeft gebracht in de bezwaarfase, niet is aan te merken als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Uit de uitspraak van de Raad van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) volgt dat een dergelijke vaststelling de afwijzing van een verzoek om met terugwerkende kracht terug te komen op een eerdere beslissing in beginsel kan dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om met terugwerkende kracht terug te komen van een eerdere beslissing evident onredelijk is. Wat appellante in het voorliggende geval heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de gevolgen van het bestreden besluit evident onredelijk moeten worden geacht. De enkele omstandigheid dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep met de kennis van nu de functionele mogelijkheden van appellante achteraf anders heeft ingeschat is daartoe onvoldoende.

4.3.

Niet in geschil is dat het Uwv de aanvraag van appellante – voor zover daarmee is beoogd dat voor de toekomst wordt teruggekomen van het besluit van 6 oktober 2010 – terecht heeft ingewilligd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante niet kan worden gevolgd in haar betoog dat het Uwv de ingangsdatum van de Wajong-uitkering had moeten vaststellen op een eerdere datum dan 6 januari 2015. Het Uwv heeft er met juistheid op gewezen dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, een aanvraag om voor de toekomst terug te komen van een eerder besluit bij een duuraanspraak wordt ingewilligd per datum van ontvangst van deze aanvraag. Daarbij wordt betrokken dat met het in de rechtspraak van de Raad aangebrachte onderscheid bij de te verrichten toetsing wat betreft het verleden en de toekomst is beoogd te voorkomen dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, blijvend aan de aanvrager wordt tegengeworpen. Het Uwv heeft de aanvraag waarbij (mede) is verzocht om herziening voor de toekomst op 6 januari 2016 ontvangen, zodat appellante door de ingangsdatum van 6 januari 2015 (één jaar voor datum aanvraag) niet tekort is gedaan.

4.4.

Appellante heeft, in het licht van de onderbouwing van haar betoog dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 3:29 van de Wajong, opnieuw verzocht een deskundige te benoemen. Gelet op wat onder 4.3 is overwogen ziet de Raad geen aanleiding daartoe over te gaan.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal met verbetering van gronden worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en D. Hardonk-Prins en
P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2020.

(getekend) E.W. Akkerman

De griffier is verhinderd te ondertekenen.