Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:818

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2020
Datum publicatie
02-04-2020
Zaaknummer
17/2351 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:1023, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Appellante wordt geschikt geacht voor de in het kader van de EZWb geselecteerde functies. Geen toename beperkingen. Maatgevende arbeid. Nadere motivering in hoger beroep. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 /2351 ZW

Datum uitspraak: 20 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 februari 2017, 16/4151 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Mesoudi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Mesoudi. Het Uwv is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als verzorgende gedurende 36 uur per week. Op 15 september 2011 heeft zij zich ziek gemeld met schouderklachten. Tevens had zij spanningsklachten en een meningeoom, waarvoor zij is bestraald. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Zij heeft tot
1 februari 2013 ziekengeld ontvangen. Op 18 november 2013 heeft appellante zich opnieuw ziekgemeld. Zij ontving toen een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 13 november 2014 vastgesteld dat appellante per
18 december 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Appellante werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van haar arbeid als verzorgende, maar wel tot het vervullen van diverse andere functies. Vervolgens is appellante weer een uitkering op grond van de WW verstrekt. Appellante was in de periodes van 27 maart 2015 tot 13 juli 2015 en van
28 september 2015 tot 1 december 2015 arbeidsongeschikt. In augustus 2015 heeft appellante drie weken op uitzendbasis als kantinemedewerkster gewerkt gedurende negen uur per week.

1.3.

Appellante heeft zich op 26 januari 2016 opnieuw ziek gemeld met pijn en vermoeidheidsklachten. Zij ontving toen een WW-uitkering. Appellante heeft op
10 maart 2016 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante per 18 maart 2016 geschikt geacht voor de in het kader van de EZWb geselecteerde functies van inpakker (SBC-code 111190), wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050) en boekhouder, loonadministrateur (beginnend) (SBC-code 315040) en twee reserve functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 10 maart 2016 vastgesteld dat appellante per 18 maart 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 20 mei 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van
20 mei 2016 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapportages van de verzekeringsartsen blijkt dat zij appellante hebben gezien en op de hoogte waren van haar klachten, waaronder de buikklachten en de reeds langer bestaande hand- en schouderklachten. Ter zitting bij de rechtbank heeft appellante verklaard dat niet de klachten na de gynaecologische operatie verantwoordelijk zijn voor de ziekmelding per 18 maart 2016, maar de (toegenomen) rechterhand- en schouderklachten. In de geduide functies is rekening gehouden met de klachten aan de hand en schouder omdat appellante bij het duiden van die functies die klachten al had. Dat die klachten zijn toegenomen, is niet gebleken.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat er onvoldoende rekening is gehouden met haar beperkingen. Zij is niet in staat tot het uitoefenen van de geduide functies. Er is sprake van medisch objectiveerbare belemmeringen. Haar beperkingen zijn nooit verminderd. Appellante ontvangt nu ook weer een ZW-uitkering en er zal binnenkort weer een EZWb-beoordeling plaatsvinden.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit en aanvullend gemotiveerd dat appellante geschikt is voor de maatgevende arbeid bestaande uit een combinatie van een van de geselecteerde functies met het werk als kantinemedewerkster dat appellante gedurende 9 uur per week heeft verricht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na 52 weken ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de EZWb. Het gaat daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste een van de geselecteerde functies (zie de uitspraak van de Raad van 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1225).

4.2.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellante op 18 maart 2016 tenminste één van de in het kader van de EZWb geduide functies kon verrichten. Zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben appellante onderzocht en de stukken in het dossier bestudeerd. De beide artsen hebben zich op inzichtelijke en navolgbare wijze op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van toename van de beperkingen. Er zijn geen medisch objectiveerbare stukken waaruit blijkt dat de beperkingen van de hand en schouder van appellante zijn toegenomen, vergeleken met de EZWb-beoordeling. In hoger beroep heeft appellante haar gronden herhaald, maar heeft zij geen onderbouwing door middel van medische stukken gegeven.

4.3.

Nu niet is gebleken dat de beperkingen van appellante zijn toegenomen, heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat appellante in staat is de maatgevende arbeid te verrichten. Nu appellante na de EZWb-beoordeling gedurende korte tijd werk heeft hervat als kantinemedewerkster geldt als maatstaf arbeid de combinatie van dit werk voor 9 uur per week met een van de geselecteerde functies tot een totaal van 36 uur.

4.4

Ten aanzien van de eerst ter zitting naar voren gebrachte grond dat appellante niet voldoet aan de opleidingscriteria van de geselecteerde functies overweegt de Raad dat appellante deze grond naar voren had kunnen brengen tijdens de EZWb-beoordeling. Nu deze beoordeling in rechte vaststaat, ligt alleen ter beoordeling voor of appellante in medisch opzicht in staat is tenminste een van die functies te verrichten.

4.5.

Weliswaar heeft het Uwv in hoger beroep het bestreden besluit van een gewijzigde motivering voorzien ten aanzien van de maatgevende arbeid maar aannemelijk is dat appellante daardoor niet is benadeeld nu zij voldoende heeft kunnen reageren op de nadere motivering. Ook overigens is van enige benadeling niet gebleken; ook indien al in een eerder stadium van deze gegevens zou zijn uitgegaan zou het bestreden besluit dezelfde uitkomst hebben gehad.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Nu het Uwv in hoger beroep een gewijzigde motivering aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, ziet de Raad aanleiding om het Uwv te veroordelen in de door appellante in beroep en in hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- in beroep en op € 1.050,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep.

- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.100,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170, - aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van H.S. Huisman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2020.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) H.S. Huisman