Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:806

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
02-04-2020
Zaaknummer
18/3222 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld, omdat appellant meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Herhaling gronden in hoger beroep. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

/18 3222 ZW

Datum uitspraak: 25 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

1 mei 2018, 17/6627 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Wolter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft op 26 november 2019 en op 6 februari 2020 de hoger beroepsgronden aangevuld en nadere stukken aan de Raad gestuurd.

Het Uwv heeft hierop gereageerd met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 februari 2020.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. Seyban.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als sloper/kraanmachinist. Op 16 november 2015 heeft hij zich ziek gemeld met psychische klachten. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellant op 5 mei 2017 gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

23 mei 2017. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 76,53% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 13 juni 2017 vastgesteld dat appellant vanaf 13 juli 2017 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.

1.3.

Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 juni 2017 bij besluit van 3 oktober 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 27 september 2017 enkele beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren van de FML toegevoegd en appellant ongeschikt geacht om ’s avonds en ’s nachts te werken. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat de voorbeeldfuncties ook met de gewijzigde FML passend zijn.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn psychische klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen. Deze klachten zijn in de loop der tijd eerder toegenomen dan afgenomen. Appellant acht zich meer beperkt ten aanzien van het vasthouden en verdelen van aandacht, herinneren en handelingstempo dan in de FML is vastgelegd. Dit vanwege zijn ernstige psychische klachten in combinatie met de voorgeschreven medicatie. Vanwege de medicatie, die een versuffend effect heeft, is ook een urenbeperking noodzakelijk.

3.2.

Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.2.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Naar aanleiding van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd wordt het volgende overwogen.

4.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 11 februari 2020 in reactie op de in hoger beroep ingediende brief van de praktijkondersteuner GGZ van de huisarts van 19 september 2019, met bijgevoegd medicatieoverzicht, en de brief van de neuroloog van 17 september 2019, gerapporteerd dat deze gegevens niet leiden tot een andere visie op de belastbaarheid. Appellant heeft geruime tijd na de datum in geding het spreekuur van de neuroloog bezocht. Neurologische afwijkingen zijn niet vastgesteld, de klachten van armen en benen werden geduid als functionele neurologische symptomen bij forse stress. Hiermee is rekening gehouden in de FML. Tevens is rekening gehouden met verminderde alertheid als gevolg van medicijngebruik. In reactie op de verdergaande beperkingen van de psychische belastbaarheid die appellant claimt, is gewezen op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 maart 2018. Hierin is toegelicht dat de items vasthouden van de aandacht, verdelen van de aandacht en herinneren alleen worden beperkt als er sprake is van cognitieve uitvalsverschijnselen. Dat is bij appellant niet het geval. Het item handelingstempo wordt gescoord bij ernstige psychiatrische ziektebeelden en daarvan is bij appellant geen sprake. Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door de artsen van het Uwv getrokken conclusies ten aanzien van de belastbaarheid van appellant op 13 juli 2017.

4.4.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

5. De overwegingen 4.2 en 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van E.M. Welling als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2020.

(getekend) S. Wijna

(getekend) E.M. Welling