Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:803

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
02-04-2020
Zaaknummer
18/1484 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van. Geen nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1484 WAO

Datum uitspraak: 25 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 januari 2018, 17/2767 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.A.J. van Putten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2020. Appellante en

mr. Van Putten zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is wegens gewrichtsklachten per 7 juli 1996 uitgevallen uit haar werk als pompstationmedewerker. Bij besluit van 22 augustus 1997 is aan appellante met ingang van

6 juli 1997 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Bij besluit van 28 augustus 1997 is de WAO-uitkering van appellante per 7 oktober 1997 beëindigd, omdat zij per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Na een nieuwe ziekmelding is per 15 december 1999 een WAO-uitkering geweigerd, omdat appellante ook op die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Op

2 april 2000 is appellante opnieuw uitgevallen voor haar werk. Bij besluit van 2 januari 2001 is appellante met ingang van 1 april 2001 wederom een WAO-uitkering geweigerd, omdat zij ook op die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.

1.2.

Op 24 mei 2016 heeft appellante gemeld dat haar gezondheid is verslechterd. Naar aanleiding van deze melding is appellante gezien door een verzekeringsarts. Deze arts concludeert in het rapport van 5 oktober 2016 dat er, behoudens een enkelletsel dat is ontstaan bij een ongeval in 2015, ten tijde waarvan zij niet verzekerd was, geen nieuwe medische feiten zijn te melden. Bij besluit van 14 oktober 2016 heeft het Uwv geweigerd aan appellante een WAO-uitkering toe te kennen, omdat er ten opzichte van de beoordeling per 1 april 2001 niets is gewijzigd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 30 mei 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. In het bestreden besluit heeft het Uwv geconcludeerd dat geen nieuwe feiten of veranderende omstandigheden aanwezig zijn, ten opzichte van de reeds bekende informatie. Aan het besluit ligt een rapport van 17 mei 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 17 mei 2017 blijk heeft gegeven van een zorgvuldig onderzoek en dat hij voldoende heeft gemotiveerd dat appellante geen nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht, die aanleiding moeten geven om terug te komen van de eerdere besluitvorming in het kader van de WAO. De enkele stelling van appellante dat er sprake is van een toename van klachten en beperkingen is hiervoor onvoldoende. In de door appellante aangevoerde argumenten heeft de rechtbank ook geen aanleiding gezien om te oordelen dat het besluit op de herhaalde aanvraag evident onredelijk is. De rechtbank komt door dit oordeel niet toe aan een bespreking van de belastbaarheid van appellante. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien om een onafhankelijke medisch deskundige te benoemen.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de motivering

van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het standpunt dat appellante geen nieuwe feiten en/of omstandigheden naar voren heeft gebracht voldoende heeft geacht. Verder heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het besluit op de aanvraag niet evident onredelijk is aangezien appellante hulpbehoevend is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had hierover volgens appellante nadere informatie moeten opvragen. Ten slotte is aangevoerd dat geen sprake is van equality of arms als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zodat ten onrechte geen deskundige is benoemd.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De aanvraag van appellante van 24 mei 2016 strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van zijn besluit van 2 januari 2001. Het Uwv heeft hierop beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.2.

Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (CRvB 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

4.3.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.4.

Ter ondersteuning van haar aanvraag heeft appellante gewezen op de toename van haar klachten en heeft zij tijdens de hoorzitting medische informatie over de jaren 2008, 2009 en 2010 overgelegd. De rechtbank heeft in deze informatie terecht geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb gezien. Deze informatie heeft immers geen betrekking op de datum waarop het besluit van 2 januari 2001 ziet. Het Uwv mocht het verzoek van appellante dan ook afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit van 2 januari 2001. Omdat geen sprake is van nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden is er geen plaats voor het inschakelen van een medisch deskundige. In de enkele stelling van appellante dat zij hulpbehoevend is, wordt geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van E.M. Welling als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2020.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) E.M. Welling