Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:798

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
17/7650 WAJONG
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:7975, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wajong 2015. Arbeidsvermogen. Terecht oordeel rechtbank dat voldoende zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden. Ook het oordeel dat er geen aanleiding is te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen en de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde motivering wordt gevolgd. Onderschreven wordt de overweging dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de ingebrachte informatie, waaronder het rapport van Fokke, geen aanleiding geeft het eerder ingenomen standpunt te veranderen. Verwijzing naar vaste rechtspraak naar aanleiding van advies van de Gezondheidsraad ME/CVS van 19 maart 2018. De door appellante in hoger beroep ingediende informatie geeft geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

/17 7650 WAJONG

Datum uitspraak: 26 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

24 oktober 2017, 16/6303 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. Goudkade hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Goudkade. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Het Uwv heeft appellante, geboren [in] 1986, met ingang van 31 juli 2007 een uitkering toegekend op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten zoals deze destijds luidde (Wajong 1998), gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2.

In het kader van een herbeoordeling wegens de inwerkingtreding van de Participatiewet met ingang van 1 januari 2015 heeft het Uwv bij besluit van 4 februari 2016 vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft als bedoeld in de Wajong zoals deze wet luidt sinds 1 januari 2015 (Wajong 2015) en dat haar Wajong-uitkering daarom met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige ten grondslag. Bij beslissing op bezwaar van 11 augustus 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen dit besluit door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek. De rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van appellante hebben gemist. Er zijn beperkingen aangenomen gelet op het energieniveau van appellante. Er is voldoende gemotiveerd dat er geen reden is voor een urenbeperking van meer dan vier uur per dag en dat appellante één uur aangesloten kan werken. De in beroep ingediende expertise van medisch adviseur en verzekeringsarts J.M. Fokke heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven om te twijfelen aan de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, omdat Fokke zijn oordeel alleen heeft onderbouwd aan de hand van het door appellante zelf opgestelde dagverhaal. De door appellante ingediende informatie van het CVS/ME-centrum Amsterdam van 15 december 2016 heeft geen aanleiding gegeven voor een ander standpunt, omdat hieruit een normale longfunctie en een normale gemeten maximale inspanningscapaciteit blijken. Aan het door appellante overgelegde dagverhaal, met meer rustmomenten dan waarmee door de verzekeringsartsen rekening is gehouden, is niet de door appellante gewenste waarde gehecht, omdat het een subjectieve weergave is en niet duidelijk is of dit de weergave is van een gemiddelde dag. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat afdoende inzichtelijk is gemotiveerd door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat appellante in staat kan worden geacht een taak in een arbeidsorganisatie uit te voeren en beschikt over basale werknemersvaardigheden.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat door de rechtbank onvoldoende waarde is gehecht aan de in beroep ingebrachte expertise van Fokke, de ingebrachte medische informatie en haar dagverhaal. Uit deze informatie blijkt dat zij niet één uur aaneengesloten kan werken en ook niet gedurende vier uur per dag belastbaar is. Ter nadere onderbouwing van haar standpunt heeft zij gewezen op het advies van de Gezondheidsraad over CVS/ME van 19 maart 2018 en heeft zij nieuwe medische informatie ingediend, waarin in december 2017 de diagnoses fibromyalgie en een traag werkende schilklier (hypothyreoïdie) zijn genoemd. Ook heeft zij de resultaten van een door het CVS/ME-centrum in februari 2018 afgenomen fietstest (ergospirometrie test) ingebracht, een brief van H. Pekelharing van het CVS/ME Centrum van 18 december 2019 en informatie van de huisarts, waarin resultaten van bij appellante in 2007 en in november 2019 verricht onderzoek naar vitamine B12-waardes zijn opgenomen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit, onder verwijzing naar de in hoger beroep ingebrachte rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 oktober 2019 en 23 januari 2020.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 12 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2078.

4.2.

Ter beoordeling ligt voor of de rechtbank het standpunt van het Uwv terecht heeft onderschreven dat appellante op 1 januari 2018 mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft als bedoeld in artikel 3:8a van de Wajong 2015.

4.3.

Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie; (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt; (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van één uur; of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv heeft beoordeeld of bij appellante sprake is van (ten minste) één van deze vier genoemde voorwaarden en heeft geconcludeerd dat dat niet het geval is. Voor een meer algemene beschrijving van het beoordelingskader wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018.

4.4.

Het geschil tussen partijen is beperkt tot de vraag of appellante voldoet aan voorwaarde c (niet aaneengesloten kunnen werken gedurende ten minste een periode van één uur) en/of aan voorwaarde d (niet ten minste vier uur per dag belastbaar zijn).

4.5.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat het onderzoek van de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is geweest. Ook het oordeel dat er geen aanleiding is te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen en de daaraan in overweging 4.3 van de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde motivering wordt gevolgd. Onderschreven wordt de overweging dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de ingebrachte informatie, waaronder het rapport van Fokke, geen aanleiding geeft het eerder ingenomen standpunt te veranderen.

4.6.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 16 januari 2019: ECLI:NL:CRVB:2019:275) is een verwijzing naar het advies van de Gezondheidsraad ME/CVS van 19 maart 2018 onvoldoende om beperkingen aangewezen te achten bij een betrokkene, omdat dit advies van algemene aard is en niet ingaat op de situatie van de individuele betrokkene. Door de verzekeringsartsen is overtuigend onderbouwd dat appellante in staat is om één uur aaneengesloten te werken zonder dat hierbij begeleiding noodzakelijk is om haar, wegens concentratieverlies, binnen dat uur de aandacht weer op haar werk te laten richten. Verder hebben de verzekeringsartsen aangenomen dat appellante door de combinatie van de psychische beperkingen en het chronisch vermoeidheidssyndroom een verhoogd energieverbruik heeft, waardoor ze een verminderde mogelijkheid tot recuperatie heeft, maar niet zodanig dat zij minder dan vier uur op een dag belastbaar is. De door appellante in hoger beroep ingediende informatie geeft geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij rapporten van 17 oktober 2019 en 23 januari 2020 afdoende gemotiveerd dat met de bevindingen van de reumatoloog van 20 december 2017 van kenmerken van fibromyalgie zonder dat ernstige afwijkingen zijn gevonden, dan wel spierzwakte als gevolg van immobiliteit, afdoende rekening is gehouden, omdat is vastgesteld dat meer dan lichte fysieke belasting niet wenselijk is. Er is ook geen aanknopingspunt voor twijfel aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat het bij appellante vastgestelde tekort aan vitamine B12 geen aanleiding vormt voor bijstelling van het medisch oordeel over de energetische belastbaarheid, omdat de gemeten bloedwaarden geen aanwijzingen geven voor ernstiger energetische beperkingen dan aangenomen en de B12‑deficiëntie bovendien goed behandelbaar is.

4.7.

Uit overwegingen 4.5 en 4.6 volgt dat bij appellante geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit, zodat het Uwv op goede gronden heeft geconcludeerd dat appellante mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.

4.8.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2020.

(getekend) D. Hardonk-Prins

(getekend) M. Graveland