Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:792

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2020
Datum publicatie
18-05-2020
Zaaknummer
19/1014 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft kort na het gesprek op 29 mei 2017 de afspraken geschonden door niet bereikbaar te zijn voor inzet tijdens zijn piketdienst. De staatssecretaris heeft gelet daarop het belang van de dienst om een zorgvuldig onderzoek te kunnen doen naar aanleiding van de melding zwaarder mogen laten wegen dan het belang van appellant om het verbetertraject verder te vervolgen. Geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

/19 1014 AW

Datum uitspraak: 26 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
12 februari 2019, 18/1517 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.M. Diekstra, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Diekstra. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A. van Vredendaal, mr. C.E. Lamberti en H. Buys.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is sinds 15 februari 2016 gedetacheerd bij de Nationale Politie, Landelijke Eenheid, [dienst A] ([A]) als [functie 1] in de functie van [meer specifiek]. Tussen december 2016 en 1 juni 2017 heeft appellant zich een aantal keer verslapen, heeft hij zijn kamer niet conform de regels opgeruimd, is hij telefonisch onbereikbaar geweest voor piket, had hij tijdens een operatie en een training niet de benodigde uitrusting bij zich waardoor hij niet optimaal in de operatie kon deelnemen en heeft hij verzocht om vergoeding van zijn reiskosten terwijl hij hier geen recht op had.

1.2.

Op 29 mei 2017 is appellant aangesproken op zijn functioneren en is met hem afgesproken dat hij in de gelegenheid wordt gesteld om zijn functioneren te verbeteren. Later op die dag was appellant wederom niet bereikbaar voor piket.

1.3.

Op 28 juni 2017 heeft zijn leidinggevende bij de [A] een melding van een verstoorde arbeidsrelatie ingediend en is verzocht om appellant over te plaatsen.

1.4.

Hangende het onderzoek naar de melding van verstoorde arbeidsrelatie heeft de Commandant Zeestrijdkrachten bij besluit van 24 juli 2017 appellant opgedragen om met ingang van 21 juli 2017 tot 1 juli 2018 een opleiding te volgen en werkzaamheden te verrichten in de functie van [functie 2] bij [eenheid B] ([B]). Zijn plaats van tewerkstelling is voor die periode gewijzigd in [plaatsnaam 1].

1.5.

Bij afzonderlijk besluit van 24 juli 2017 heeft de Commandant Zeestrijdkrachten met toepassing van artikel 5, derde lid, van de Regeling vergoeding voor overwerk, onregelmatigheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid en met ingang van 20 juli 2017 de aan appellant toegekende toelage onregelmatige dienst (TOD) beëindigd wegens wijziging van zijn werkzaamheden.

1.6.

Bij besluit van 1 november 2017 heeft de Commandant Zeestrijdkrachten de tijdelijke tewerkstelling van appellant bij [B] met ingang van 10 oktober 2017 beëindigd.

1.7.

Bij afzonderlijk besluit van 1 november 2017 heeft de Commandant Zeestrijdkrachten appellant opgedragen om met ingang van 10 oktober 2017 tot 10 oktober 2019 een opleiding te volgen en werkzaamheden te verrichten bij de [Dienst]. Zijn plaats van tewerkstelling is voor die periode gewijzigd in [plaatsnaam 2].

1.8.

Bij besluit van 18 januari 2018 (bestreden besluit) zijn de bezwaren tegen de besluiten van 24 juli 2017 en de besluiten van 1 november 2017 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant betoogt dat de staatssecretaris in redelijkheid niet van zijn bevoegdheid gebruik mocht maken om appellant tijdelijk andere werkzaamheden op te dragen. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat op 29 mei 2017 de hem verweten gedragingen al zijn besproken en dat op basis daarvan is geconcludeerd dat hij een verbetertraject zou volgen. Dit verbetertraject mocht niet worden afgebroken door middel van het opdragen van tijdelijke werkzaamheden.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 2 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:392) heeft het bestuursorgaan beoordelingsvrijheid bij de keuze van de tijdelijk door de ambtenaar te verrichten werkzaamheden en kan bij dergelijke tijdelijke werkzaamheden niet snel gezegd worden dat deze niet redelijkerwijs opgedragen kunnen worden.

4.3.

Met inachtneming van deze toetsingsmaatstaf kan niet worden geconcludeerd dat de tijdelijke werkzaamheden niet redelijkerwijs aan appellant konden worden opgedragen. Hiervoor is van betekenis dat op basis van de gedingstukken en het besprokene ter zitting is komen vast te staan dat appellant kort na het gesprek op 29 mei 2017 de afspraken heeft geschonden door niet bereikbaar te zijn voor inzet tijdens zijn piketdienst. Aan medewerkers van de [A] mogen hoge eisen van betrouwbaarheid, persoonlijke verantwoordelijkheid en eerlijkheid worden gesteld. Omdat [A] gecompliceerde operaties uitvoert, moet er op kunnen worden vertrouwd dat de [A] er staat wanneer dit nodig is en dat de medewerkers binnen de [A] van onbesproken gedrag zijn. Door de melding van verstoorde arbeidsrelatie naar aanleiding van de schending van de op 29 mei 2017 gemaakte afspraken, is het gedrag van appellant ter discussie komen te staan. De staatssecretaris heeft gelet daarop het belang van de dienst om een zorgvuldig onderzoek te kunnen doen naar aanleiding van de melding zwaarder mogen laten wegen dan het belang van appellant om het verbetertraject verder te vervolgen.

4.4.

Appellant heeft verder een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Hij heeft betoogd dat bij hem op 29 mei 2017 de gerechtvaardigde verwachting is gewekt, door zijn leidinggevende bij [A], dat hij zijn verbetertraject mocht afmaken. Dit betoog slaagt niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat appellant aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Appellant is hierin niet geslaagd. Uit de gedingstukken komt naar voren dat op 29 mei 2017 is afgesproken dat appellant een verbetertraject zou volgen, maar uit die stukken kan niet worden afgeleid dat is toegezegd dat dat verbetertraject onder alle omstandigheden, dus ook bij nieuwe incidenten, zal worden afgemaakt.

4.5.

Voor zover nog in geschil, concludeert de Raad dat de TOD van appellant terecht is beëindigd. Niet gebleken is dat appellant tijdens zijn tijdelijke tewerkstelling onregelmatige diensten verrichtte.

4.6.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2020.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) M. Buur