Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:790

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
19/2167 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verrekenen van de vakantiedagen. Nu appellant niet het gehele (nieuwe) schooljaar in dienst van de stichting is geweest, heeft de stichting de aanspraak van appellant op vakantieverlof over het nieuwe schooljaar terecht vastgesteld aan de hand van het bepaalde in artikel 14.1, tweede lid, van de CAO VO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2020/1071
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

/19 2167 AW

Datum uitspraak: 26 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 april 2019, 18/6438 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Stichting Openbaar Voortgezet Onderwijs Amstelveen (stichting)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.K. Evers hoger beroep ingesteld.

Namens de stichting heeft mr. M.R.A. Dekker, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Evers. De stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.R.A. Dekker, J.F.L. de Peuter-van der Veen en H.A. Edeler.

OVERWEGINGEN

1.1.

Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) in werking getreden. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AW 2017 behouden krachtens deze wet genomen besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2020 hun geldigheid. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar of beroep tegen een op grond van deze wet genomen besluit of handeling dat voor 1 januari 2020 is bekendgemaakt, het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 januari 2020.

1.2.

Appellant was werkzaam bij de stichting als docent aan [naam school] . Bij brief van 30 mei 2018 heeft appellant de stichting om ontslag verzocht per 1 september 2018. Appellant heeft zich daarbij gehouden aan een opzegtermijn van drie maanden als genoemd in artikel 10.a.5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Collectieve arbeidsovereenkomst voortgezet onderwijs 2018-2019 (CAO VO).

1.3.

De stichting heeft bij besluit van 28 juni 2018 appellant per 1 september 2018 ontslag verleend. Daarbij is onder meer vermeld dat de genoten vakantiedagen op grond van artikel 15.1, tweede lid, van de CAO VO met het salaris wordt verrekend. Het bezwaar gericht tegen het verrekenen van de vakantiedagen is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voorop wordt gesteld dat hier van toepassing is CAO VO 2018-2019 (CAO VO). Bij deze cao - voor zover hier van belang - is het tot dan geldende artikel 15.1 van de CAO VO omgenummerd naar artikel 14.1 zonder dat de bepaling inhoudelijk is gewijzigd. Tussen partijen is niet in geschil dat daar waar de stichting in de besluitvorming verwijst naar het bepaalde in artikel 15.1 van de CAO VO dit berust op een kennelijke verschrijving en bedoeld is te verwijzen naar artikel 14.1 van de CAO VO.

4.2.1.

Op grond van artikel 1.1 van de CAO VO wordt onder het schooljaar verstaan de periode van 1 augustus tot 1 augustus van het daaropvolgend jaar.

4.2.2.

In artikel 14.1, eerste lid, van de CAO VO is bepaald:

“De werknemer die behoort tot de functiecategorie directie, dan wel tot de functiecategorie leraar, geniet:

a. gedurende de schoolvakanties en vijf extra, door de werkgever in overleg met de (G)MR vastgestelde, dagen vakantieverlof met behoud van bezoldiging;

b. buiten de in lid a genoemde periodes geen vakantieverlof.”

4.2.3.

In artikel 14.1, tweede lid, van de CAO VO is bepaald dat:

“De werknemer die niet gedurende het gehele schooljaar in dienst is van de instelling, maakt aanspraak op een aantal dagen vakantieverlof, dat wordt berekend volgens de formule:

(W x 1,15) – (S). In deze formule is:

W: het aantal [delen van] weken dat de werknemer in dienst is gedurende het schooljaar;

S: het aantal schoolvakantiedagen dat valt in de periode dat de werknemer is benoemd,

exclusief de algemeen erkende feestdagen zoals genoemd in bijlage 4 van deze cao.”

4.3.

Op grond van het bepaalde in artikel 14.1, eerste lid, van de CAO VO geniet een betrokkene die gedurende een gehele schooljaar, dat beloopt van 1 augustus tot 1 augustus, in dienst is van de instelling alle schoolvakanties verlof. Appellant heeft ontslag gevraagd en gekregen met ingang van 1 september 2018. De ontslagdatum ligt daarmee één maand in het nieuwe schooljaar. Dat betekent dat, nu appellant niet het gehele (nieuwe) schooljaar in dienst van de stichting is geweest, de stichting de aanspraak van appellant op vakantieverlof over het nieuwe schooljaar terecht heeft vastgesteld aan de hand van het bepaalde in artikel 14.1, tweede lid, van de CAO VO. Er is geen aanleiding om appellant te volgen in zijn betoog dat deze bepaling uitsluitend bedoeld zou zijn voor korttijdelijk, niet voor schoolvakanties in aanmerking komend personeel, te weten de invalkrachten. De Raad is dan ook, met de rechtbank, van oordeel dat de stichting in dit geval op goede gronden artikel 14.1, tweede lid, van de CAO VO heeft toegepast.

4.4.

De verrekening van teveel genoten vakantiedagen is het gevolg van de keuze die appellant heeft gemaakt door met ingang van 1 september om ontslag te verzoeken. Appellant heeft betwist dat sprake was van een keuze, nu hij zich diende te houden een opzegtermijn van drie maanden. De Raad volgt appellant hierin niet. In artikel 10.a.5, eerste lid, CAO VO is bepaald dat de werknemer een opzegtermijn in acht neemt van drie maanden indien, zoals in het geval van appellant, het dienstverband twaalf maanden of langer heeft geduurd. Het vierde lid van dat artikel biedt echter de mogelijkheid om met wederzijds goedvinden van die termijn af te wijken. De rector-bestuurder heeft bij brief van 18 juli 2018 appellant de mogelijkheid geboden het ontslag te laten ingaan op 1 augustus, zijnde de dag waarop appellant bij zijn nieuwe werkgever zou worden aangesteld. Van die mogelijkheid heeft appellant geen gebruik gemaakt.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep geen doel treft en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2020.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) M. Buur