Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:781

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
18-3476 AOW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:3721, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet gezegd kan worden dat ten tijde hier van belang sprake was van een gewilde verbreking van de echtelijke samenleving. Betrokkene had derhalve geen recht op een ouderdomspensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde. De Svb was gehouden het ouderdomspensioen van betrokkene te herzien naar dat voor een gehuwde pensioengerechtigde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18-3476 AOW

Datum uitspraak: 26 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 mei 2018, 17/4696 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

De Svb heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. P.A. van Lange, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2020. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van Lange. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is ten tijde hier van belang gehuwd met [Y.] (echtgenoot). Zij ontving laatstelijk een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) voor een ongehuwde pensioengerechtigde. Hierbij ging de Svb ervan uit dat betrokkene en haar echtgenoot duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW. Naar aanleiding van een onderzoek naar het recht op ouderdomspensioen waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport met bijlagen van 2 februari 2017, is de Svb tot de conclusie gekomen dat bij betrokkene en haar echtgenoot geen sprake is van duurzaam gescheiden leven.

1.2.

Bij beslissing op bezwaar van 28 juni 2017 (bestreden besluit) heeft de Svb, voor zover van belang en onder herroeping van de besluiten van 10 maart 2017, het ouderdomspensioen van betrokkene met ingang van 1 maart 2017 herzien naar voor een gehuwde pensioengerechtigde omdat niet is gebleken dat betrokkene en haar echtgenoot duurzaam gescheiden leven. Betrokkene heeft hiertegen beroep ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd voor zover het betrekking heeft op de herziening van het ouderdomspensioen naar voor een gehuwde pensioengerechtigde en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit. Volgens de rechtbank was het huisbezoek rechtmatig en mochten de bevindingen tijdens dit huisbezoek worden gebruikt bij de beoordeling van het recht op ouderdomspensioen van betrokkene. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat betrokkene voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot.

3. De Svb heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens de Svb volgt uit de hier aan de orde zijnde feiten en omstandigheden dat betrokkene en haar echtgenoot niet duurzaam gescheiden leven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor zijn vaste rechtspraak over het begrip duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 19 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3017, ECLI:NL:CRVB:2019:3018, en ECLI:NL:CRVB:2019:3019. Uit deze rechtspraak volgt dat de feitelijke omstandigheden bepalend zijn voor de beoordeling of sprake is van duurzaam gescheiden leven. De motieven op grond waarvan de echtelijke samenleving niet, nog niet, niet meer of niet opnieuw is verbroken, zijn niet relevant voor de beoordeling of sprake is van duurzaam gescheiden leven.

4.2.

De Raad is met de Svb van oordeel dat de rechtbank op basis van de hier aan de orde zijnde feiten en omstandigheden ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat betrokkene ten tijde hier van belang aannemelijk heeft gemaakt dat zij duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot. Betrokkene en haar echtgenoot hebben beiden op 31 januari 2017 een zogenaamd formulier “Onderzoek DGL” ingevuld. Uit wat zij op deze formulieren gelijkluidend hebben ingevuld en het bezwaarschrift van betrokkene, blijkt het volgende. De woning waarin betrokkene woont, is hun gezamenlijk eigendom. De echtgenoot komt een tot tweemaal per week bij betrokkene langs en doet dan regelmatig een boodschap voor betrokkene. Ook doet hij dan wel eens een ander klusje voor betrokkene zoals de papierbak buiten zetten. Verder hebben betrokkene en haar echtgenoot wekelijks telefonisch contact, heeft de echtgenoot een sleutel van de woning van betrokkene en helpt betrokkene de echtgenoot weleens bij zijn administratie. De redenen waarom zij dit deden, speelt bij de beoordeling geen rol, het gaat om de blote feiten. Dit betekent dat niet gezegd kan worden dat ten tijde hier van belang sprake was van een gewilde verbreking van de echtelijke samenleving. Betrokkene had derhalve geen recht op een ouderdomspensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde. De Svb was gehouden het ouderdomspensioen van betrokkene te herzien naar dat voor een gehuwde pensioengerechtigde.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat de rechtbank het beroep ten onrechte gegrond heeft verklaard en het bestreden besluit ten onrechte heeft vernietigd. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd en doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H. Benek, in tegenwoordigheid van E.D. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2020.

(getekend) H. Benek

(getekend) E.D. de Jong

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.