Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:775

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
19/2741 AW-PV
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de [naam functie] de beslissing op bezwaar in mandaat heeft mogen nemen. Van strijd met artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht is de Raad niet gebleken. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de gebeurtenissen die appellant als beroepsincident heeft aangemerkt niet zijn aan te merken als een beroepsincident als bedoeld in artikel 35 van het ARAR, nu geen sprake is van een dienstongeval of een beroepsziekte en evenmin sprake is van een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de taak van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19-2741 AW-PV

Datum uitspraak: 12 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 mei 2019, 18/3541 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (minister)

Zitting heeft: C.H. Bangma, als lid van de enkelvoudige kamer

Griffier: L.R. Daman

Appellant is ter zitting verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.S. Soerdjbalie en M. Geerlofs.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Uit niets blijkt dat de [naam functie] betrokken is geweest bij de inhouding van de bezoldiging van appellant als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Dat hij gezien zijn functie de verantwoordelijkheid draagt voor medewerkers als appellant, maakt hem nog niet betrokken bij dit besluit. De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de [naam functie] de beslissing op bezwaar in mandaat heeft mogen nemen. Van strijd met artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht is de Raad niet gebleken.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de gebeurtenissen die appellant als beroepsincident heeft aangemerkt niet zijn aan te merken als een beroepsincident als bedoeld in artikel 35 van het ARAR, nu geen sprake is van een dienstongeval of een beroepsziekte en evenmin sprake is van een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de taak van appellant.

Het betoog van appellant dat de minister verantwoordelijk is voor zijn arbeidsomstandigheden kan evenmin tot de gevolgtrekking leiden dat sprake is van een beroepsincident. Het gaat appellant om het handelen van ambtenaren die net als appellant werkzaam zijn bij de Rijksoverheid. Echter, ook al zou sprake zijn van strafrechtelijk verwijtbaar handelen van die ambtenaren, dan nog is er geen basis om de toegepaste korting als onrechtmatig te kwalificeren.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) L.R. Daman (getekend) C.H. Bangma