Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:748

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2020
Datum publicatie
30-03-2020
Zaaknummer
19/2916 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opgelegde boete, normale verwijtbaarheid en gebaseerd op draagkracht. Schending inlichtingenverplichting omdat appellante geen hoofdverblijf had op uitkeringsadres. Voldoende feitelijke grondslag. Aan X hoefde geen cautie te worden gegeven omdat haar geen boete is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2020/108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19/ 2916 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 24 maart 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 24 mei 2019, 18/2719 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.F.E. Sprenkels, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 11 februari 2020. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 7 mei 2013 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande. Appellante staat sinds 12 mei 2009 ingeschreven op het uitkeringsadres.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding, onder meer inhoudende dat appellante al jaren niet meer in haar eigen woning is geweest, dat de woning stinkt en verwaarloosd is, dat appellante verblijft op het adres van X te [gemeente] en dat deze situatie al bestaat sinds 2012, heeft de Sociale Recherche Maastricht (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche dossieronderzoek gedaan en verbruiksgegevens van het water op het uitkeringsadres opgevraagd. Uit de ontvangen verbruiksgegevens blijkt dat appellante in de periode van 2 juli 2012 tot en met 28 april 2014 en in de periode van 28 april 2014 tot en met 13 april 2015 17 m³, respectievelijk 1 m³ water heeft verbruikt. In de periode van 13 april 2015 tot en met 11 mei 2016 en in de periode van 11 mei 2016 tot en met 12 april 2017 werd een waterverbruik van 8 m³, respectievelijk 15m³ gemeten. Verder heeft de sociale recherche waarnemingen verricht in de nabijheid van het uitkeringsadres en op 11 mei 2017 getracht een onaangekondigd huisbezoek af te leggen aan de woning op dat adres. Aansluitend heeft de sociale recherche een onaangekondigd huisbezoek afgelegd aan de woning op het adres van X. Bij dat huisbezoek zijn zowel appellante als X aangetroffen. Tijdens dit huisbezoek zijn appellante en X door de sociale recherche gehoord. Later die dag heeft de sociale recherche opnieuw een onaangekondigd huisbezoek afgelegd aan de woning op het uitkeringsadres, waar appellante aanwezig was en waar zij door de sociale recherche opnieuw is gehoord. Verder heeft de sociale recherche buurtonderzoek verricht in de omgeving van het uitkeringsadres. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in de rapportage fraudeonderzoek van 3 juli 2017.

1.3.

Het college heeft in de resultaten van het onderzoek aanleiding gezien om bij besluit van 31 augustus 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 december 2017, de bijstand van appellante over de periode van 7 mei 2013 tot 1 februari 2017 in te trekken, de bijstand over de periode van 1 februari 2017 tot en met 12 mei 2017 te herzien naar de norm voor gehuwden en de over de periode van 7 mei 2013 tot en met 12 mei 2017 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 63.535,29 van appellante terug te vorderen. Aan de intrekking heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante geen hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Aan de herziening heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met X op het adres van X. Door van het niet verblijven op het uitkeringsadres en het voeren van de gezamenlijke huishouding geen mededeling te doen aan het college, heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Bij uitspraak van 26 juni 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:5991, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 december 2017 ongegrond verklaard. Deze uitspraak heeft de Raad bevestigd bij uitspraak van 23 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2660.

1.4.

Bij besluit van 23 mei 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 september 2018 (bestreden besluit), heeft college appellante een boete opgelegd van € 1.190,-. Aan het bestreden besluit heeft het college het volgende ten grondslag gelegd. Appellante heeft de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden door niet te melden dat zij in de periode van 7 mei 2013 tot en met 13 mei 2017 niet haar hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres. Ondanks dat de verklaring van appellante van 11 mei 2017 niet als bewijs kan worden meegenomen, is er voldoende ander bewijs waaruit blijkt dat appellante in deze periode niet haar hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres. Dit blijkt uit het op 11 mei 2017 afgelegde huisbezoek, de op die datum afgelegde verklaring van X, het buurtonderzoek op 19 mei 2017 en uit het (extreem) lage waterverbruik. Er is sprake van normale verwijtbaarheid en rekening is gehouden met de (fictieve) draagkracht van appellante.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen. Het college was niet gehouden X de cautie te geven, omdat X niet degene is geweest aan wie de boete is opgelegd, zodat de verklaring van X bij de besluitvorming kan worden betrokken. Uit de door X op 11 mei 2017 afgelegde verklaring blijkt dat appellante sinds een paar maanden bij X verblijft, dat appellante en X begin december 2016 een relatie kregen en dat appellante vanaf begin februari 2017 bij X woonachtig is. Verder blijkt uit deze verklaring dat appellante niet in haar woning kan verblijven door de rommel die haar ex-vrouw daar heeft achtergelaten. Dat X woorden in de mond zijn gelegd, zoals in beroep is aangevoerd, is niet gebleken. X heeft de verklaring afgelegd en zij heeft deze vervolgens op elke pagina ondertekend. Het gesprek is concreet en gedetailleerd weergegeven, zodat dit een aanwijzing is dat de opgestelde verklaring een juiste weergave van het gesprek is. Voorts moet betekenis worden toegekend aan het (extreem) lage waterverbruik in de periode van juli 2012 tot en met 12 april 2017 en aan de verklaring van buurtbewoner Y, die in mei 2017 onder meer heeft verklaard dat appellante al zeker vier of vijf jaar niet meer woont op het uitkeringsadres, dat zij één keer in de week of één keer per twee weken de post komt ophalen en daar zeker niet sliep en dat zij appellante zag komen en ook weer gaan. Verder moet betekenis worden toegekend aan de verklaring van buurtbewoner Z, die in mei 2017 onder meer heeft verklaard dat appellante ongeveer een jaar of anderhalf jaar niet meer op het uitkeringsadres woont, dat appellante een tijdje nadat B, de ex-partner van appellante, was vertrokken - uitschrijving uitkeringsadres op 12 oktober 2012 - één keer per week de post kwam halen en dan een paar uur in de woning was, maar zeker geen hele dag, en dan vertrok. Op basis van voornoemde bevindingen, in onderlinge samenhang bezien, heeft het college voldoende aangetoond dat appellante in de periode van 7 mei 2013 tot en met 12 mei 2017 niet haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres heeft gehad en daarmee ook dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door daarvan niet uit zichzelf bij het college melding te maken. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat een wijziging in de woonsituatie van invloed is op het recht op uitkering. Niet is gebleken van omstandigheden die zouden moeten leiden tot het aannemen van verminderde verwijtbaarheid, van persoonlijke omstandigheden die aanleiding geven om van een lager bedrag uit te gaan of van een onjuiste berekening van de draagkracht. Evenmin is de rechtbank gebleken van een dringende reden op grond waarvan verweerder zou moeten afzien van het opleggen van een boete.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft, evenals in beroep, het volgende aangevoerd. De verklaring die X op 11 mei 2017 heeft afgelegd kan niet als bewijs worden meegenomen, omdat aan X, die eveneens als verdachte is verhoord, niet de cautie is gegeven. De sociaal rechercheurs hebben X tijdens het verhoor van 11 mei 2017 woorden in de mond gelegd. Zo heeft X niet verklaard dat appellante al een paar maanden bij haar verbleef. De verklaring van X over de wederzijdse zorg dient te worden genuanceerd, in die zin dat van enige financiële verstrengeling geen sprake is. De conclusies van het college zijn erg voorbarig en onvoldoende onderbouwd. Uit het door de sociale recherche aangeleverde bewijsmateriaal blijkt niet dat appellante in de te beoordelen periode niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Evenmin is aannemelijk geworden dat appellante en X een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Hij voegt daaraan toe dat, nu aan het bestreden besluit niet ten grondslag is gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het voeren van een gezamenlijke huishouding, de beroepsgronden die daarop betrekking hebben geen bespreking behoeven.

4.2.

Aangezien appellante van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een verwijt kan worden gemaakt, was het college verplicht een boete op te leggen. De opgelegde boete van € 1.190,- is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige over appellante gebleken omstandigheden.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en M. van Paridon en

C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van J.B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2020.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J.B. Beerens