Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:724

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
23-03-2020
Zaaknummer
17/7191 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7191 WIA

Datum uitspraak: 19 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

18 september 2017, 17/1057 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.G. Wattilete, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft een vraag van de Raad beantwoord en nadere stukken ingediend.

Daarna heeft appellant nog een reactie ingediend. Hierop heeft het Uwv nog gereageerd met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 oktober 2019 en aanvullende stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2020. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als teamleider beveiliger voor 34,19 uur per week. Op 16 juli 2016 heeft appellant met terugwerkende kracht vanaf 13 januari 2012 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. In het kader van zijn WIA-aanvraag heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft de eerste dag van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 1 juli 2014 en heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 17 augustus 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 28,23%. Bij besluit van 16 september 2016 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 28 juni 2016 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 7 februari 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 3 januari 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 31 januari 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen grond gezien voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onjuist of onvolledig is geweest. De rechtbank heeft in het door appellant ingebrachte re-integratieadvies van Acture van 29 november 2016 onvoldoende grond gezien voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep te weinig beperkingen heeft aangenomen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen grond is voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep, in verband met concentratieproblemen en de door appellant gestelde beperkte psychische zelfredzaamheid, een urenbeperking had moeten aannemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met deze aspecten rekening gehouden door het aannemen van diverse beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv appellant vanaf 28 juni 2016 terecht een WIA-uitkering heeft geweigerd.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat. Met name gevolgen van PTSS zijn volgens hem onvoldoende meegewogen bij het vaststellen van zijn beperkingen. Appellant slaapt slecht en er is sprake van verminderd concentratievermogen. Verder is er sprake van beperkte psychische zelfredzaamheid. Appellant stelt voorts dat onvoldoende beperkingen zijn aangenomen wat betreft het persoonlijk functioneren. Ook is er volgens appellant aanleiding voor het aannemen van een urenbeperking. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft appellant verwezen naar het re‑integratieadvies van Acture van 29 november 2016. Appellant stelt voorts dat hij door zijn beperkingen niet in staat is gebleken zijn werkzaamheden te hervatten. De rechtbank heeft ten onrechte geen deskundige benoemd.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 28 juni 2016 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen.

4.3.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van zijn gronden in beroep. De rechtbank heeft die gronden afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De overwegingen van de rechtbank worden volledig onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.4.

De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd waarom het re-integratieadvies van Acture van 29 november 2016 niet leidt tot het aannemen van meer of verdergaande beperkingen. Anders dan appellant heeft gesteld is niet gebleken van een zodanige verminderde beschikbaarheid wegens behandeling dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarin aanleiding had moeten zien om een urenbeperking in de FML op te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 3 januari 2017, 10 juli 2019 en 3 oktober 2019 voldoende gemotiveerd dat er geen sprake is van verminderde beschikbaarheid van appellant wegens behandeling, gelet op het feit dat hij wekelijks 1 tot 1,5 uur gesprekken voert met een GGZ-psycholoog en, anders dan appellant heeft gesteld, EMDR daar onderdeel van uitmaakt. Dat appellant, ten tijde van belang, nog een training volgde voor het omgaan met trauma’s aan de Haagse Hogeschool is niet gebleken. Appellant heeft geen stukken ingediend waaruit dit blijkt. Bovendien heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het bestaan van een dergelijke training voor traumaverwerking niet kunnen verifiëren. De rechtbank wordt dan ook gevolgd in haar oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende rekening heeft gehouden met de psychische klachten van appellant en geen aanleiding heeft hoeven zien om een urenbeperking aan te nemen.

4.5.

Nu er geen reden is voor twijfel aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, bestaat er geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen.

4.6.

Uitgaande van de juistheid van de in de FML van 17 augustus 2016 opgenomen beperkingen, wordt de rechtbank ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

4.7.

Uit wat is overwogen in 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2020.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) R.H. Koopman