Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:704

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
23-03-2020
Zaaknummer
19-471 AOW-PV
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:7056, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herzien pensioen van alleenstaandennorm naar norm gehuwden. Dat intentie in samenwoning is gelegen in het verlenen van zorg brengt niet mee dat het pensioen naar alleenstaandennorm kan worden verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 471 AOW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 10 maart 2020

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 december 2018, 18/3448 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Zitting heeft: J.N.A. Bootsma

Griffier: T. Ali

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. E.P. Elink Schuurman, advocaat. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Dit betekent dat de herziening van het ouderdomspensioen van appellant op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) van de alleenstaandennorm naar de gehuwdennorm vanaf

1 februari 2017 terecht is.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en gebaseerd op de volgende overwegingen.

Niet is in geschil dat appellant vanaf 1 februari 2017 met V een gezamenlijke huishouding voert. Hij heeft dit in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting niet bij de Svb gemeld. Dat de Svb langs andere weg wel op de hoogte was van de verhuizing van V naar het adres van appellant maakt dit niet anders.

Appellant meent dat er dringende redenen zijn om hem toch AOW naar de norm voor een alleenstaande te verlenen. Hij is invalide en aangewezen op zorg. V, die uit het buitenland komt en geen eigen inkomen heeft, verleent hem deze zorg. Door het samenwonen zijn de maandelijkse kosten gestegen, terwijl niet alleen de AOW, maar ook zijn pensioen van het ABP is verlaagd.

Deze grond slaagt niet. De omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie zijn voor de vraag of iemand een gezamenlijke huishouding voert echter niet van belang. Daar komt bij dat appellant en V door de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen gegarandeerd zijn van een inkomen tot het sociaal minimum.

Het hoger beroep slaagt niet.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Voorzitter

(getekend) T. Ali (getekend) J.N.A. Bootsma

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.