Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:690

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
21-03-2020
Zaaknummer
17/8147 WAZO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wazo-uitkering. Hoogte dagloon. Door het loon over de periode van 7 november 2016 tot en met 30 november 2016 niet te betrekken in de dagloonberekening heeft het Uwv een juiste toepassing gegeven aan artikel 12d, eerste lid, van het Dagloonbesluit. De rechtbank wordt niet gevolgd in het oordeel dat artikel 3:13 van de WAZO ruimte biedt om bij de berekening van het dagloon uit te gaan van het loon dat over de referteperiode is genoten en dat in dit geval de toepassing van artikel 12d van het Dagloonbesluit zodanig ongunstig uitwerkt voor betrokkene dat dit leidt tot een dagloon dat niet meer in overeenstemming is met het dervingsbeginsel, omdat feitelijk 18 van de 43 loondagen in de referteperiode niet zijn meegenomen in de dagloonberekening. Verwijzing naar uitspraak van 1 augustus 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2347). Nu de bepalingen voor het dagloon voor de ZW ook voor de WAZO gelden, is er geen aanleiding in dit geval anders te oordelen dan in de uitspraak van de Raad van 1 augustus 2018. Hoger beroep Uwv slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 8147 WAZO

Datum uitspraak: 18 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 november 2017, 17/3092 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. E. Schermerhorn, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2020. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog. Betrokkene en haar gemachtigde zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene heeft van 1 juli 2016 tot 1 oktober 2016 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen. Met ingang van 1 oktober 2016 is zij in dienst getreden bij [BV] als bedrijfsjurist. Het dienstverband is na drie maanden, op 31 december 2016, geëindigd.

1.2.

Bij besluit van 7 december 2016 heeft het Uwv betrokkene met ingang van 2 januari 2017 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO), berekend naar een dagloon van € 111,10.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 18 april 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het dagloon van € 111,10 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft bepaald dat het dagloon van betrokkene met ingang van 2 januari 2017 wordt vastgesteld op € 189,32 en dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. De rechtbank heeft overwogen zich aan te sluiten bij de overwegingen in de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 april 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:2476) en geoordeeld dat de vaststelling van het dagloon van betrokkene op € 111,10 in strijd is met artikel 3:13, tweede lid, van de WAZO en het dervingsbeginsel dat aan dat artikel ten grondslag ligt. Het Uwv heeft in dit geval het loon dat betrokkene in november 2016 (in de referteperiode) heeft verdiend, maar in december 2016 (buiten de referteperiode) door haar werkgever is opgegeven, onterecht niet meegenomen in de dagloonberekening.

3.1.

Het Uwv heeft in hoger beroep aangevoerd dat het dagloon in overeenstemming met de wettelijke regels is vastgesteld. Het dagloon moet worden berekend door het verdiende loon te delen door het aantal van 43 dagloondagen in de periode van 1 oktober 2016 tot en met 30 november 2016. Onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad heeft het Uwv gesteld dat daarbij terecht is uitgegaan van het loon dat betrokkene geacht wordt te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan. Uit de polisadministratie blijkt dat de werkgever in dit geval het loon heeft opgegeven in een aangiftetijdvak van een maand, zodat het Uwv daarvan mocht uitgaan, ondanks het feit dat het loon per vier weken werd uitbetaald. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat toepassing van het Dagloonbesluit in het geval van betrokkene leidt tot een dagloon dat niet meer in overeenstemming geacht kan worden met het loondervingsbeginsel en heeft voorts ten onrechte overwogen dat in de artikelen 3:13 van de WAZO en 15 van de Ziektewet (ZW) ruimte is gelegen om uit te gaan van het “verdiende” in plaats van het “genoten” loon. Het Uwv heeft voor zijn standpunt ook verwezen naar de Nota van Toelichting bij het Dagloonbesluit, Stb. 2015, 152, Artikel I, onderdeel L, en de antwoorden van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 mei 2017 (Kamervragen (Aanhangsel) 2016-2017, nr. 1751). Volgens het Uwv heeft de Raad in bestendige rechtspraak geoordeeld dat het een bewuste keuze van de wetgever is geweest om uit te gaan van het genoten loon in het tijdvak waarin de werkgever daarvan opgave heeft gedaan, welke keuze is gerespecteerd.

3.2.

Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Zij heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat haar loon dat betrekking heeft op de periode van 6 november 2016 tot en met 30 november 2016, maar buiten de referteperiode is uitbetaald en door de werkgever opgegeven, vorderbaar maar nog niet inbaar was.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de toepasselijke wet- en regelgeving wordt verwezen naar de bijlage bij de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt toegevoegd dat in artikel 12d, tweede lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) – kort weergegeven – is bepaald dat het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in de referteperiode vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden, geacht wordt te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarin het vorderbaar is geworden.

4.2.

Het oordeel van de rechtbank over de referteperiode, die loopt van 1 december 2015 tot en met 30 november 2016, en dat het Uwv het loon van betrokkene in de referteperiode op grond van artikel 12e van het Dagloonbesluit terecht heeft gedeeld door 43 dagen, is in hoger beroep niet bestreden. Verder is niet in geding dat van het loon van betrokkene in de periode van 7 november 2016 tot en met 4 december 2016 door [BV] opgave is gedaan in december 2016.

4.3.

Door het loon over de periode van 7 november 2016 tot en met 30 november 2016 niet te betrekken in de dagloonberekening heeft het Uwv een juiste toepassing gegeven aan artikel 12d, eerste lid, van het Dagloonbesluit. Dit loon behoort tot de loonperiode die loopt van 7 november 2016 tot 4 december 2016. Daarover heeft de werkgever in december 2016 aangifte gedaan. Dit loon behoort dus niet tot het loon dat betrokkene wordt geacht te hebben genoten in een in de referteperiode gelegen aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.

4.4.1.

De rechtbank wordt niet gevolgd in het oordeel dat artikel 3:13 van de WAZO ruimte biedt om bij de berekening van het dagloon uit te gaan van het loon dat over de referteperiode is genoten en dat in dit geval de toepassing van artikel 12d van het Dagloonbesluit zodanig ongunstig uitwerkt voor betrokkene dat dit leidt tot een dagloon dat niet meer in overeenstemming is met het dervingsbeginsel, omdat feitelijk 18 van de 43 loondagen in de referteperiode niet zijn meegenomen in de dagloonberekening.

4.4.2.

In de uitspraak van 1 augustus 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2347) op het hoger beroep tegen de door de rechtbank genoemde uitspraak van de rechtbank Rotterdam, heeft de Raad het volgende overwogen:

“4.4.

In vaste rechtspraak over artikel 4, eerste lid, van het Dagloonbesluit zoals dat gold van 1 juni 2013 tot 1 juli 2015 – welke bepaling identiek is aan artikel 12d, eerste lid – heeft de Raad geoordeeld dat deze toepassing van het Dagloonbesluit door de besluitgever is voorzien en dat deze er welbewust voor heeft gekozen om de berekening van dagloon te vereenvoudigen door uit te gaan van de gegevens in de polisadministratie, waarbij de opgave van de werkgever aan de Belastingdienst bepalend is voor de toerekening van loon aan een bepaald aangiftetijdvak. Verwezen wordt naar de in 2.2 genoemde uitspraak van 22 juni 2016 en de uitspraken van 30 augustus 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:3075), 6 september 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:3098) en 1 november 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:3908). In dit oordeel ligt besloten dat de rechtbank niet wordt gevolgd in haar oordeel dat het dagloon op grond van de tekst van artikel 15, eerste lid, van de ZW moet worden vastgesteld op het bedrag dat betrokkene in de referteperiode ‘verdiende’ in plaats van het bedrag waarover Randstad in de referteperiode loonaangifte heeft gedaan. Artikel 15, tweede lid, van de ZW geeft de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur nadere en zo nodig afwijkende regels te stellen over de vaststelling van de dagloon. De op dit punt door de besluitgever gemaakte keuze blijft binnen de grenzen van het dagloonbegrip van artikel 15, eerste lid, van de ZW en dient door de rechter gerespecteerd te worden.

4.5.

Dat de werking van artikel 12d, eerste lid, van het Dagloonbesluit in dit geval ongunstige gevolgen voor betrokkene heeft, biedt niet de mogelijkheid om ten aanzien van haar een ander dagloon vast te stellen. Het is juist dat aan de dagloonregelingen het beginsel ten grondslag ligt dat het dagloon een redelijke afspiegeling moet vormen van de welvaart in de periode voorafgaand aan de verzekerde gebeurtenis. Het Dagloonbesluit, dat daarvan een uitwerking is, biedt echter geen mogelijkheid in de vorm van een hardheidsclausule of een uitzonderingsbepaling om in geval van een onevenredige uitwerking van de gestelde regels af te wijken. Het is aan de besluitgever om eventuele ongewenste effecten van de in het Dagloonbesluit neergelegde dagloonsystematiek teniet te doen. Datzelfde geldt evenzeer in situaties waarin toepassing van deze systematiek leidt tot een voor de werknemer gunstig resultaat (uitspraak van 4 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2091).

4.6.

De twee door de rechtbank aangehaalde uitspraken vormen geen basis voor een andere conclusie. De overwegingen die in die uitspraken zijn gewijd aan het principe dat het dagloon een weerspiegeling moet zijn van het welvaartsniveau van de betrokkene bij het intreden van het verzekerde risico kunnen niet los worden gezien van de context en het wettelijk kader waarbinnen zij tot stand zijn gekomen. In de uitspraak van 23 november 2012 ging het om een zeer uitzonderlijke situatie waarin voor de betrokkene een negatief loon was ontstaan als gevolg van een voor de referteperiode door het Uwv gemaakte fout bij de betaling van een aan betrokkene toekomende WW‑uitkering, waardoor het dagloon van betrokkene volgens het Uwv op nihil zou kunnen uitkomen. De uitspraak van 15 april 2004 betreft een situatie waarin het bij gebreke van een voor dat specifieke geval geldende regel in de destijds geldende Dagloonregelen WAO toelaatbaar was dat het Uwv het dagloon baseerde op het dervingsbeginsel. In de onderhavige zaak is daarentegen wel een specifieke regeling in het Dagloonbesluit opgenomen.”

4.4.3.

Nu de bepalingen voor het dagloon voor de ZW ook voor de WAZO gelden, is er geen aanleiding in dit geval anders te oordelen dan in de uitspraak van de Raad van 1 augustus 2018.

4.5.

Wat betrokkene in verweer heeft aangevoerd over de in artikel 12d, tweede lid, van het Dagloonbesluit geregelde situatie van vorderbaar, niet tevens inbaar loon, leidt niet tot een ander oordeel, nu zij niet heeft onderbouwd dat een deel van het loon dat betrekking heeft op de betaalperiode van 7 november 2016 tot en met 4 december 2016 reeds in de referteperiode, dat wil zeggen uiterlijk 30 november 2016, vorderbaar was.

4.6.

Wat in 4.2 tot en met 4.5 is overwogen leidt er toe dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal het beroep ongegrond worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 18 april 2017 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en J.S. van der Kolk en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2020.

(getekend) E. Dijt

(getekend) D.S. Barthel