Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:685

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
19-03-2020
Zaaknummer
18-6063 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering studiefinanciering. Oplegging boete. De minister heeft aan de op hem rustende bewijslast voldaan. De minister heeft op basis van de bevindingen van het onderzoek aangetoond dat appellant ten tijde van het huisbezoek niet woonachtig was op het brp-adres. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot andere oordelen had moeten komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 6063 WSF

Datum uitspraak: 18 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

9 oktober 2018, 17/3560 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G.M. Rijkhoff, advocaat, hoger beroep ingesteld. Nadien heeft mr. M. Bosma, advocaat, zich als gemachtigde gesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2020. Appellant is niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant stond vanaf 23 december 2015 in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven onder het adres [adres] (brp-adres). Hij heeft vanaf 1 januari 2016 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) ontvangen, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.

1.2.

Twee controleurs hebben in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Zij hebben in dat kader op 14 december 2016 een huisbezoek afgelegd op het brp-adres. Van de bevindingen van het onderzoek is een rapport opgemaakt.

1.3.

De minister heeft bij besluit van 7 januari 2017 op basis van de bevindingen van het onder 1.2 vermelde onderzoek de aan appellant toegekende studiefinanciering over de periode januari 2016 tot en met juli 2017 herzien, in die zin dat hij in die periode als thuiswonende studerende is aangemerkt. Daarbij is een bedrag van € 2.481,36 van hem teruggevorderd.

1.4.

De minister heeft bij besluit van 9 februari 2017 aan appellant een bestuurlijke boete opgelegd van € 1.240,68.

1.5.

De minister heeft bij besluit van 21 juli 2017 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 januari 2017 niet-ontvankelijk verklaard en zijn bezwaar tegen het besluit van 9 februari 2017 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, voor zover van belang, overwogen dat de minister aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan. Volgens de rechtbank heeft de minister op basis van de bevindingen van het onder 1.2 vermelde onderzoek aangetoond dat appellant ten tijde van het huisbezoek niet woonachtig was op het brp-adres. Wat appellant tegenover deze bevindingen heeft gesteld, is onvoldoende om aan de waarnemingen en conclusies van de controleurs te twijfelen. De rechtbank heeft daarbij geen waarde gehecht aan de stelling van appellant ter zitting dat hij ten tijde van de controle aan het verhuizen was naar zijn ouderlijk huis, omdat hij deze niet eerder naar voren heeft gebracht en hij deze evenmin heeft onderbouwd. Bovendien heeft appellant hierover ter zitting geen helder en consistent verhaal verteld, wat ernstig afbreuk doet aan de geloofwaardigheid. Daarnaast heeft appellant geen overtuigende verklaring gegeven waarom geen studieboeken zijn aangetroffen. De aangetroffen kleding maakt niet aannemelijk dat appellant op het brp‑adres woonachtig was, nu deze niet aantoonbaar van appellant is. Tot slot heeft de rechtbank geen doorslaggevende waarde gehecht aan de overgelegde verklaringen van familieleden, omdat deze niet afkomstig zijn van een objectieve bron en de inhoud zeer algemeen en niet verifieerbaar is. Appellant heeft verder geen bewijsstukken overgelegd die redelijke twijfel wekken aan het door de minister gehanteerde wettelijk vermoeden, zodat de overtreding voor de periode januari 2016 tot en met december 2016 als bewezen moet worden aangemerkt. De rechtbank is verder niet gebleken dat appellant onevenredig wordt getroffen, dan wel dat de minister op grond van verminderde verwijtbaarheid of bijzondere omstandigheden een lagere boete had moeten opleggen.

3. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank op onvoldoende kenbare wijze de gronden van beroep in de beoordeling heeft meegenomen, zodat de aangevallen uitspraak een gebrekkige motivering heeft.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot andere oordelen had moeten komen. De rechtbank heeft de in beroep aangevoerde gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en, anders dan appellant zonder onderbouwing heeft betoogd, deugdelijk en toereikend gemotiveerd waarom deze niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de overwegingen die tot het oordeel in de aangevallen uitspraak hebben geleid.

4.2.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van E.D. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2020.

(getekend) J. Brand

(getekend) E.D. de Jong