Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:664

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2020
Datum publicatie
16-03-2020
Zaaknummer
18/3295 WAO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:3567, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening, terugvordering WAO-uitkering en oplegging boete. Schending inlichtingen verplichting. Geen melding van werkzaamheden gedaan. Het oordeel van de rechtbank dat verweerder voldoende heeft onderbouwd dat appellant in de periode van 1 juni 2016 tot en met 30 juni 2010 werkzaamheden heeft verricht, die hij niet heeft gemeld bij het Uwv, wordt dan ook onderschreven. Het oordeel van de rechtbank dat die werkzaamheden zijn aan te merken als arbeid in het economisch verkeer waarmee geldelijk voordeel wordt beoogd dan wel redelijkerwijs kan worden verwacht, wordt eveneens onderschreven. Omdat appellant geen concrete en verifieerbare gegevens over zijn werkzaamheden en de daarmee verworven inkomsten heeft verstrekt, was het Uwv volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2140) bevoegd om de inkomsten schattenderwijs vast te stellen. Wel zal aan de schatting voldoende onderzoek moeten voorafgaan. De gevolgen van het ontbreken van concrete, verifieerbare gegevens over het inkomen van appellant vallen geheel binnen zijn risicosfeer. De door het Uwv gemaakte schatting van de omvang van de werkzaamheden is genoegzaam onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3295 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

3 mei 2018, 17/4877 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 11 maart 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.S. de Haas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Haas. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.M. Breevoort.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontvangt vanaf 1 januari 2002 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding in maart 2015 dat appellant naast zijn WAO‑uitkering werkzaamheden verricht bij het schoonmaakbedrijf van zijn broer, Schoonmaakbedrijf [naam schoonmaakbedrijf B.V.]. ([naam schoonmaakbedrijf B.V.]), heeft het Uwv een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant uitbetaalde WAO-uitkering. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een onderzoeksrapport van 7 juni 2016, van een inspecteur bij de Directie Handhaving van het Uwv. In dit rapport is geconcludeerd dat appellant via [naam schoonmaakbedrijf B.V.] in de periode van 1 juni 2006 tot en met 30 juni 2010 minimaal 24 uur per week heeft gewerkt bij [naam bedrijf 1] ([bedrijf 1]) en daarnaast in de periode van 13 november 2007 tot en met 30 juni 2010 gedurende minimaal 5 uur per week bij [naam bedrijf 2]. ([bedrijf 2]). Appellant heeft deze werkzaamheden niet gemeld bij het Uwv, waardoor hij over de periode van 1 juni 2006 tot en met 30 juni 2010 te veel WAO-uitkering heeft ontvangen.

1.3.

Bij besluit van 31 augustus 2016 (besluit 1) heeft het Uwv de uitbetaling van de WAO‑uitkering van appellant over de periode van 1 juni 2006 tot 13 november 2007 nader berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% en de uitbetaling van de WAO-uitkering over de periode van 13 november 2007 tot en met 30 juni 2010 nader berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Bij dit besluit heeft het Uwv tevens over de periode van 1 juni 2006 tot en met 30 juni 2010 een bedrag van bruto € 27.873,03 aan onverschuldigd betaalde WAO-uitkering van appellant teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van eveneens 31 augustus 2016 (besluit 2) heeft het Uwv appellant een boete opgelegd van € 2.269,- wegens schending van zijn inlichtingenplicht, omdat hij het Uwv geen mededeling heeft gedaan van zijn werkzaamheden bij [bedrijf 1] en [bedrijf 2].

1.5.

Bij besluit van 3 juli 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1.

De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat met de door het Uwv overgelegde getuigenverklaringen de door het Uwv vastgestelde werkzaamheden niet zouden zijn onderbouwd. Weliswaar is er maar één van de zes getuigenverklaringen ondertekend, maar dit neemt niet weg dat uit de getuigenverklaringen – van personen die met name zijn genoemd en dus niet anoniem zijn gehoord – genoegzaam valt af te leiden dat appellant werkzaamheden voor [naam schoonmaakbedrijf B.V.] heeft verricht bij [bedrijf 1] en [bedrijf 2]. Uit de stukken valt wel af te leiden dat appellant zijn werkzaamheden bij [naam schoonmaakbedrijf B.V.] vanaf 1 december 2011 heeft vastgelegd in een vrijwilligersovereenkomst en deze werkzaamheden bij het Uwv heeft gemeld. Appellant heeft de werkzaamheden voor [naam schoonmaakbedrijf B.V.] bij [bedrijf 1] en [bedrijf 2] over de periode van 1 juni 2006 tot en met 30 juni 2010 niet aan het Uwv gemeld. Voor zover appellant heeft aangevoerd dat de getuigenverklaringen tegenstrijdigheden bevatten, heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de verklaringen genoegzaam naar voren is gekomen dat appellant werkzaamheden heeft verricht.

2.2.

De rechtbank heeft het Uwv ook gevolgd in zijn standpunt dat deze werkzaamheden zijn aan te merken als arbeid in het economisch verkeer waarmee geldelijk voordeel wordt beoogd dan wel redelijkerwijs kan worden verwacht. Het ontbreken van betrouwbare gegevens over de gewerkte uren en de werkelijke omvang van de vergoedingen komt voor rekening en risico van appellant. De gemaakte schatting van de inkomsten van appellant en de gevolgen hiervan voor zijn WAO-uitkering komt de rechtbank juist voor.

2.3.

De rechtbank is daarom tot het oordeel gekomen dat het Uwv terecht heeft besloten om de WAO-uitkering van appellant over de periode in geding naar een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse uit te betalen. Het teruggevorderde bedrag is niet in geschil en wordt daarom niet voor onjuist gehouden. Met betrekking tot de boete heeft de rechtbank overwogen dat appellant zich vanaf 1 juni 2006 had moeten realiseren dat de werkzaamheden relevant waren voor de omvang van zijn recht op WAO-uitkering en daarom gemeld hadden moeten worden aan het Uwv. Appellant heeft hierdoor zijn inlichtingenplicht geschonden, waarvan hem objectief en subjectief een verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan het Uwv was gehouden de boete te matigen dan wel af te zien van het opleggen van een boete.

3.1.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte doorslaggevende waarde heeft toegekend aan de door het Uwv aan de besluitvorming ten grondslag gelegde getuigenverklaringen. Er is maar één verklaring ondertekend. De overige verklaringen zijn feitelijk geen getuigenverklaringen maar eenzijdig opgestelde gespreksverslagen van het Uwv. Het zijn samenvattingen van wat er verklaard zou zijn en geen volledige weergaven van hetgeen deze personen hebben verklaard, waardoor wellicht voor appellant belangrijke informatie niet is opgenomen. Bovendien blijkt nergens uit dat de getuigen kennis hebben genomen van hun eigen verklaring. Daarom kunnen aan deze verklaringen niet zulke vergaande en ingrijpende conclusies worden verbonden als de rechtbank heeft gedaan. Ook bevatten de verklaringen tegenstrijdigheden.

3.1.2.

Appellant heeft tevens aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen waarde heeft toegekend aan de zes ondertekende getuigenverklaringen die hij in bezwaar heeft ingediend en die zijn standpunt, dat hij in de periode hier in geding niet via [naam schoonmaakbedrijf B.V.] heeft gewerkt bij [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2], onderbouwen. Deze verklaringen staan haaks op de gespreksverslagen van het Uwv. Niet duidelijk is waarom de rechtbank aan deze ontlastende verklaringen geen waarde heeft toegekend.

3.1.3.

Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat het Uwv het aantal gewerkte uren en het daarmee verdiende inkomen te hoog heeft ingeschat en dat als gevolg daarvan de terugvordering en de boete te hoog zijn vastgesteld.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad oordeelt als volgt.

Verrekening van inkomsten

4.1.

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant via [naam schoonmaakbedrijf B.V.] van 1 juni 2006 tot en met 30 juni 2010 minimaal 24 uur per week heeft gewerkt bij [bedrijf 1] en van 13 november 2007 tot en met 30 juni 2010 gedurende minimaal 5 uur per week bij [bedrijf 2]. Volgens vaste rechtspraak rust bij een belastend besluit, zoals hier aan de orde, op het Uwv de verplichting om niet alleen de feiten vast te stellen waarop het bestreden besluit berust, maar ook – in geval van betwisting – die feiten aannemelijk te maken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2140). Het Uwv dient aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 44 van de WAO is voldaan.

4.2.

In het dossier bevindt zich een verklaring van getuige Verbunt (getuige 1), die bij [bedrijf 1] verantwoordelijk was voor de kwaliteit en hygiëne en zodoende het meest te maken had met de schoonmaak. Deze getuige 1 heeft tegenover de inspecteur verklaard appellant op de getoonde foto te herkennen als degene die bij [bedrijf 1] heeft gewerkt als voorman voor [naam schoonmaakbedrijf B.V.] van 2005 tot en met 2010, op vijf dagen per week van 15:30 uur tot 01:30 uur en dat hij het aanspreekpunt/leidinggevende was voor zo’n zeven tot acht man personeel. Deze verklaring is handgeschreven en door getuige 1 ondertekend.

4.3.

Daarnaast bevinden zich in het dossier vijf rapporten van bevindingen, opgemaakt en ondertekend door de inspecteur, inhoudende verslagen van gesprekken met getuigen die in de hier in geding zijnde periode werknemer zijn geweest bij [naam schoonmaakbedrijf B.V.]. De rapporten zijn niet ondertekend door de betreffende getuigen. In deze rapporten van bevindingen zijn de volgende verklaringen opgenomen.

4.3.1.

Getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] (getuigen 2) waren voor [naam schoonmaakbedrijf B.V.] werkzaam bij [bedrijf 1] en hebben jaren samen de kantoren en de kantine bij [bedrijf 1] schoongemaakt. Zij zijn daarmee begonnen via [werkgever] (zij dachten in 2007). Zij hebben appellant van een foto herkend als een beetje de voorman van [naam schoonmaakbedrijf B.V.]. Hij was voor de mensen beneden het aanspreekpunt. Ook [bedrijf 1] meldde zich bij hem als er iets was. Appellant hielp ook bij het schoonmaakwerk. Toen zij bij [naam schoonmaakbedrijf B.V.] begonnen was appellant daar al werkzaam. Ze denken dat ze ongeveer anderhalf jaar voor [naam schoonmaakbedrijf B.V.] gewerkt hebben.

4.3.2.

Getuige [naam getuige 3] (getuige 3) heeft een jaar of vier bij schoonmaakbedrijf [naam schoonmaakbedrijf B.V.] gewerkt. Zij maakte altijd de kantoren en de kantine schoon. Zij heeft appellant van een foto herkend als broer van de eigenaar. Zij heeft appellant regelmatig gezien op de locatie waar zij werkte, maar heeft hem nooit zien werken. Zij was boven in de kantoren en de kantine werkzaam en de schoonmaak was in de ruimtes beneden waar het vlees werd verwerkt. Daar kwam zij nooit.

4.3.3.

Getuige [naam getuige 4] (getuige 4) heeft voor [naam schoonmaakbedrijf B.V.] gewerkt bij [bedrijf 2] en maakte daar de kantoren schoon. Dit zou van 2007 tot en met 2010 kunnen zijn geweest. Zij heeft appellant herkend van een foto. Appellant had de leiding over de schoonmaak bij [bedrijf 2]. Hij kwam zo’n drie keer per week en was er nooit langer dan één of twee uur. In de jaren dat zij bij [bedrijf 2] heeft gewerkt heeft appellant daar ook altijd gewerkt.

4.3.4.

Getuige [naam getuige 5] (getuige 5) heeft in totaal ongeveer drie jaar via [naam schoonmaakbedrijf B.V.] bij [bedrijf 1] schoonmaakwerk gedaan. Het zou goed kunnen dat dit is geweest van 2006 tot en met 2009. Hij herkende appellant van de foto als de kleine baas van [naam schoonmaakbedrijf B.V.]. Hij controleerde altijd het werk en was degene die aanwijzingen gaf. Volgens hem was appellant wisselend op het werk aanwezig. De ene keer was hij er vijf dagen per week en de andere keer was hij er maar één dag per week.

4.3.5.

Getuige [naam getuige 6] (getuige 6) heeft verklaard dat hij in 2009 gedurende een jaar via [naam schoonmaakbedrijf B.V.] bij [bedrijf 1] heeft gewerkt, op vijf dagen per week van 15:00 uur tot 23:00 uur. Hij herkende appellant van de foto. Appellant was zo’n beetje de baas. Hij gaf wel eens opdrachten en aanwijzingen en controleerde ook vaak aan het einde van de avond het werk. Appellant was vaak aanwezig, de ene keer vijf dagen per week en de andere keer wel drie dagen. Hij werkte ook wel eens mee als dat nodig was.

4.4.

Met de gegevens uit het onderzoeksrapport van 7 juni 2016, waaronder de getuigenverklaring van getuige 1 en de gespreksverslagen, heeft het Uwv aannemelijk gemaakt dat appellant via [naam schoonmaakbedrijf B.V.] van 1 juni 2006 tot en met 30 juni 2010 heeft gewerkt bij [bedrijf 1] en in de periode van 13 november 2007 tot en met 30 juni 2010 bij [bedrijf 2]. De getuigenverklaring van getuige 1 is ondertekend, concreet en gedetailleerd en afkomstig van een leidinggevende over de schoonmaak bij [bedrijf 1]. De vijf gespreksverslagen zijn weliswaar niet door de betreffende getuigen getekend en ook niet ter ondertekening aan hen voorgelegd, maar de gespreksverslagen zijn wel ondertekend door de inspecteur, de getuigen zijn allen met naam genoemd en volgens het polis+ systeem in (een deel van) de hier in geding zijnde periode via [naam schoonmaakbedrijf B.V.] werkzaam geweest bij [bedrijf 1] of [bedrijf 2]. Van anonieme getuigenverklaringen is dan ook geen sprake. De gespreksverslagen zijn daarnaast concreet, verifieerbaar en in lijn met de getuigenverklaring van getuige 1.

4.5.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat de gespreksverslagen tegenstrijdigheden bevatten. Dat de getuigen appellant bij het tonen van de foto door de inspecteur zouden hebben verwisseld met zijn broer is niet aannemelijk nu alle getuigen appellant hebben herkend en bij zijn voornaam – [appellant] – hebben genoemd. Appellant heeft zijn stelling dat getuige 1 een valse verklaring heeft afgelegd omdat hij een conflict met hem had, niet onderbouwd.

4.6.

Wat appellant aan tegenbewijs heeft overgelegd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Appellant heeft in bezwaar zes ondertekende getuigenverklaringen overgelegd, maar uit die verklaringen blijkt niet of dan wel wanneer deze getuigen via [naam schoonmaakbedrijf B.V.] bij [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] hebben gewerkt. Bovendien zijn deze verklaringen uiterst summier en wordt daarin alleen opgemerkt dat zij appellant nooit hebben zien werken. Uit deze verklaringen kan dan ook niet worden afgeleid dat appellant in de periode hier in geding niet heeft gewerkt via [naam schoonmaakbedrijf B.V.] bij [bedrijf 1] en [bedrijf 2].

4.7.

Het oordeel van de rechtbank dat verweerder voldoende heeft onderbouwd dat appellant in de periode van 1 juni 2016 tot en met 30 juni 2010 werkzaamheden heeft verricht, die hij niet heeft gemeld bij het Uwv, wordt dan ook onderschreven. Het oordeel van de rechtbank dat die werkzaamheden zijn aan te merken als arbeid in het economisch verkeer waarmee geldelijk voordeel wordt beoogd dan wel redelijkerwijs kan worden verwacht, wordt eveneens onderschreven.

4.8.

Omdat appellant geen concrete en verifieerbare gegevens over zijn werkzaamheden en de daarmee verworven inkomsten heeft verstrekt, was het Uwv volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2140) bevoegd om de inkomsten schattenderwijs vast te stellen. Wel zal aan de schatting voldoende onderzoek moeten voorafgaan. De gevolgen van het ontbreken van concrete, verifieerbare gegevens over het inkomen van appellant vallen geheel binnen zijn risicosfeer.

4.9.

De door het Uwv gemaakte schatting van de omvang van de werkzaamheden is genoegzaam onderbouwd. Op grond van de getuigenverklaring van getuige 1 in samenhang met de gespreksverslagen van getuigen 2, 5 en 6 is aannemelijk dat appellant in de periode van 1 juni 2006 tot en met 30 juni 2010 gedurende ten minste 28 uur per week werkzaam is geweest bij [bedrijf 1]. Op basis van het gespreksverslag van getuige 4 is aannemelijk dat appellant in de periode van 13 juni 2007 tot en met 30 juni 2010 gedurende tenminste 5 uur per week heeft gewerkt bij [bedrijf 2]. Het Uwv heeft voor wat betreft de verdiensten per uur mogen uitgaan van het wettelijk minimumloon.

4.10.

Uit hetgeen in 4.1 tot en met 4.9 is overwogen volgt dat de verrekening van inkomsten op grond van artikel 44 van de WAO in rechte stand houdt.

Terugvordering

5. Op grond van artikel 57 van de WAO was het Uwv gehouden de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering over de periode van 1 juni 2006 tot en met 30 juni 2010 van appellant terug te vorderen. Appellant heeft geen dringende redenen aangevoerd op grond waarvan het Uwv geheel of deels had moeten afzien van terugvordering.

Boete

6.1.

Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1429) moet het Uwv bij het opleggen van een boete wegens schending van de inlichtingenplicht feiten stellen en – voor zover betwist – aantonen dat als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht onverschuldigd uitkering is betaald. In geval van twijfel dient aan de betrokkene het voordeel van de twijfel te worden gegund.

6.2.

Het Uwv heeft met de getuigenverklaring van getuige 1 en de gespreksverslagen van getuigen 2, 5 en 6, in onderling verband en samenhang bezien, aangetoond dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door het Uwv geen mededeling te doen van zijn werkzaamheden bij [bedrijf 1]. Appellant valt van het niet melden van zijn werkzaamheden bij [bedrijf 1] een verwijt te maken. Met betrekking tot de werkzaamheden bij [bedrijf 2] is alleen een gesprekverslag van getuige 4 voorhanden, welk verslag niet is ondertekend door de getuige. Daarmee is niet voldaan aan de bewijslast voor het opleggen van een boete. Het Uwv was dan ook uitsluitend bevoegd om appellant ter zake van de schending van de inlichtingenplicht met betrekking tot de werkzaamheden bij [bedrijf 1] een boete op te leggen.

6.3.

Omdat het hoger beroep in ieder geval leidt tot een lager boetebedrag dan het door het Uwv opgelegde bedrag van € 2.269,- slaagt het hoger beroep en zal de aangevallen uitspraak worden vernietigd voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit met betrekking tot de boete ongegrond is verklaard. Het bestreden besluit zal in zoverre worden vernietigd. Omdat op grond van de beschikbare gegevens de op te leggen boete niet kan worden vastgesteld, zal het Uwv met inachtneming van hetgeen in deze uitspaak is overwogen in een nadere beslissing op bezwaar het boetebedrag moeten vaststellen. De aangevallen uitspraak zal voor het overige worden bevestigd. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen de nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

7. Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- in bewaar, € 1.050,- in beroep en € 1.050,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 3 juli 2017 met betrekking tot de boete ongegrond is verklaard;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 3 juli 2017 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover daarin de boete is bepaald op € 2.269,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv in een nieuwe beslissing op bezwaar het boetebedrag vaststelt met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.150,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 172,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en S. Wijna en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van M. Sharifi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2020.

(getekend) A.I. van der Kris

De griffier is verhinderd te ondertekenen.