Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:663

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2020
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
18/3530 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de Svb appellante op de peildata van de kwartalen in geding terecht nog niet als ingezetene van Nederland heeft aangemerkt. Dit betekent dat appellante geen recht heeft op kinderbijslag over het derde kwartaal van 2008 tot en met het eerste kwartaal van 2009, omdat zij op de peildata van die kwartalen niet verzekerd was voor de AKW. Afwijzing verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3530 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 18 mei 2018, 14/4407 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 12 maart 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H. Kruseman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2020. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Kruseman. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1.1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2.

Appellante heeft de Surinaamse nationaliteit en woonde in Suriname. Haar zoon [naam zoon], geboren [in] 1998, heeft de Nederlandse nationaliteit. [naam zoon] verblijft vanaf 2003 in Nederland, aanvankelijk onder voogdij van de moeder van appellante, bij wie hij tot 17 april 2008 samen met zijn broer [naam broer] woonde. De moeder van appellante ontving kinderbijslag voor de kinderen. Appellante is in juni 2007 naar Nederland gekomen om de kinderen te bezoeken. Zij verbleef toen bij haar moeder. Op 17 april 2008 heeft de moeder van appellante haar en de kinderen op straat gezet, waarna appellante op wisselende adressen verbleef. Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 18 februari 2009 is appellante weer belast met de uitoefening van het gezag over [naam zoon]. Appellante heeft op 8 juni 2009 kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ten behoeve van [naam zoon] aangevraagd. Op 15 juni 2009 heeft appellante een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend. Bij besluit van 1 december 2009 heeft de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND) aan appellante met ingang van 2 september 2009 een verblijfsvergunning toegekend onder de beperking “uitoefenen van het gezinsleven conform artikel 8 EVRM bij S.[naam zoon]”.

1.3.

Bij besluit van 4 september 2009 heeft de Svb aan appellante meegedeeld dat zij geen recht heeft op kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal van 2008, omdat zij geen verblijfsvergunning heeft. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij beslissing op bezwaar van 21 december 2009 ongegrond verklaard, omdat appellante op de peildata van de in geding zijnde periode, het tweede kwartaal van 2008 tot en met het derde kwartaal van 2009, nog niet over een geldige verblijfstitel beschikte. De daarop gevolgde procedure heeft uiteindelijk geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:277, waarin de beroepen in cassatie tegen de uitspraak van de Raad van 17 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY5173, ongegrond zijn verklaard.

1.4.

Op 16 september 2014 heeft de Svb een nieuwe beslissing op bezwaar (bestreden besluit) genomen en de bezwaren van appellante ongegrond verklaard. Tijdens de beroepsprocedure heeft de Svb op 14 november 2017 aan de rechtbank bericht het in het bestreden besluit ingenomen standpunt te wijzigen. Naar aanleiding van het arrest van 10 mei 2017 van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Chavez Vilchez e.a., C-133/17, ECLI:EU:C:2017:354, heeft de Svb geconcludeerd dat appellante in de periode in geding wel een verblijfsrecht had in Nederland, maar dat zij tot het tweede kwartaal van 2009 niet kan worden aangemerkt als ingezetene. Volgens de Svb heeft appellante vanaf het tweede kwartaal van 2009 voldoende binding met Nederland om van ingezetenschap te spreken. Hierbij heeft de Svb doorslaggevend geacht dat appellante vanaf 18 februari 2009 weer het gezag had over [naam zoon] en dat er vanaf dat moment geen obstakels meer zijn voor het kunnen realiseren van de intentie van appellante om de zorg voor haar kind, ook in juridische zin, weer op zich te nemen. Vanaf het tweede kwartaal van 2009 wordt dan ook kinderbijslag toegekend.

2.1.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank – met bepalingen over vergoeding van griffierecht en proceskosten – het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, voor zover daarbij aan appellante over het tweede en derde kwartaal van 2009 kinderbijslag is geweigerd. Verder heeft de rechtbank het besluit van 4 september 2009 herroepen en bepaald dat aan appellante over het tweede en derde kwartaal van 2009 alsnog kinderbijslag wordt toegekend en bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank heeft de Svb veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 2.500,-.

2.2.

De rechtbank heeft het standpunt van de Svb, dat appellante voorafgaande aan het tweede kwartaal van 2009 nog niet kon worden aangemerkt als ingezetene, onderschreven. Hiertoe is onder meer overwogen dat appellante in juni 2007 naar Nederland is gekomen om haar kinderen te bezoeken en dat zij toen nog niet beschikte over zelfstandige woonruimte. Pas vanaf 17 april 2008 heeft appellante besloten definitief in Nederland te blijven om voor [naam zoon] te zorgen. Na de breuk met haar moeder is appellante samen met haar kinderen in [plaatsnaam 1] opgevangen, en later met [naam zoon] door een vriend in [plaatsnaam 2]. Haar oudste zoon [naam broer] is later weer bij zijn oma gaan wonen. Tussen 20 februari 2007 en 18 februari 2009 had de moeder van appellante het gezag over [naam zoon]. Vanaf 3 april 2009 heeft appellante ook een uitkering op grond van de toenmalige Wet werk en bijstand ontvangen. Op 15 juni 2009 heeft appellante een verblijfsvergunning aangevraagd die aan haar is toegekend met ingang van 2 september 2009. Dat bij appellante vanaf het voorjaar 2008 de intentie leefde om definitief in Nederland te blijven om voor [naam zoon] te zorgen, kan volgens de rechtbank gelet op vaste rechtspraak, los van de andere omstandigheden van het geval, niet van voldoende gewicht worden geacht. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat ook niet is gebleken dat appellante ten tijde in geding activiteiten verrichtte die deze intentie ondersteunen. Gezien de hiervoor geschetste omstandigheden, waaronder de nog relatief korte verblijfsduur in Nederland en het niet beschikken over duurzaam tot haar beschikking staande woonruimte, is de rechtbank van oordeel dat geen aanleiding bestaat al op de peildata van de in geding zijnde kwartalen aan te nemen dat sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellante en Nederland.

3. In hoger beroep is door appellante betoogd dat zij al vanaf juni 2007 in Nederland verblijft en dat zij in ieder geval vanaf 17 april 2008, het moment dat zij met haar kinderen het huis van haar moeder verliet, als ingezetene van Nederland moet worden beschouwd. Vanaf dat moment had zij duidelijk de intentie om definitief in Nederland te blijven. Dit blijkt volgens appellante ook uit het feit dat zij in 2008 hulpverlening voor [naam zoon] heeft ingeschakeld. Dat zij pas in februari 2009 het gezag over [naam zoon] heeft gekregen, kan volgens appellante geen doorslaggevend argument zijn om niet al eerder ingezetenschap aan te nemen. Voorts heeft appellante verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn door de Raad.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting is vastgesteld dat de moeder van appellante tot en met het tweede kwartaal van 2008 kinderbijslag voor [naam zoon] heeft ontvangen. Partijen zijn het erover eens dat in geschil is het recht op kinderbijslag over het derde kwartaal van 2008 tot en met het eerste kwartaal van 2009, waarbij de vraag voorligt of appellante op de peildata van die kwartalen ingezetene van Nederland was.

4.2.

In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AKW is bepaald dat verzekerd krachtens die wet degene is die ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene in de zin van die wet degene die in Nederland woont. Waar iemand woont, wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AKW naar de omstandigheden beoordeeld.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak komt het er bij de beoordeling van de omstandigheden van ingezetenschap op aan of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Verwezen wordt naar de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466 en 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285 en de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908.

4.4.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de Svb appellante op de peildata van de kwartalen in geding terecht nog niet als ingezetene van Nederland heeft aangemerkt. Louter de intentie van appellante om vanaf 17 april 2008 in Nederland te blijven, is niet voldoende voor het aannemen van ingezetenschap. Van belang is dat appellante niet beschikte over een duurzaam tot haar beschikking staande woonruimte en dat de intentie om in Nederland te blijven ook niet door andere objectieve factoren werd ondersteund (vergelijk de uitspraak van de Raad van 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:877). Dat appellante zich in 2008 tot diverse instanties heeft gewend om hulp voor [naam zoon] in te schakelen, is onvoldoende om al van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland te spreken. In dat verband vindt de Raad ook relevant dat appellante pas in juni 2009 een aanvraag om een verblijfsvergunning heeft gedaan en vanaf dat moment kennelijk haar verblijf in Nederland heeft willen formaliseren.

4.5.

Dit betekent dat appellante geen recht heeft op kinderbijslag over het derde kwartaal van 2008 tot en met het eerste kwartaal van 2009, omdat zij op de peildata van die kwartalen niet verzekerd was voor de AKW.

5.1.

Het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden door de Raad, wordt afgewezen.

5.2.

De rechtbank heeft geoordeeld dat, gerekend vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door de Svb op 14 september 2009 tot de uitspraak van de rechtbank op 18 mei 2018, de redelijke termijn is overschreden, welke overschrijding voor rekening komt van de Svb. De door de Svb te betalen vergoeding heeft de rechtbank berekend op € 2.500,-. Appellante heeft tegen dit onderdeel van de uitspraak geen hoger beroep ingesteld, zodat dit oordeel van de rechtbank vaststaat. Dit betekent dat nog slechts ter beoordeling is of sprake is van een te lange behandelingsduur door de Raad. Deze procedure is aangevangen met de ontvangst van het hoger beroepschrift op 28 juni 2018 en heeft tot de datum van deze uitspraak minder dan twee jaar geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn niet is geschonden door de Raad (vergelijk de uitspraak van de Raad van 15 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI2044).

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding,

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en R.E. Bakker en A. van Gijzen als leden, in tegenwoordigheid van G.S.M. van Duinkerken als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2020.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) G.S.M. van Duinkerken

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.