Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:658

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
16-03-2020
Zaaknummer
18/3053 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belastingteruggave. College was bevoegd tot terugvorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3053 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 10 maart 2020

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 25 mei 2018, 17/2982 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Cuijk (college)

Zitting heeft: P.W. van Straalen

Griffier: L.R. Daman

Namens appellant is verschenen mr. C.J. Driessen, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.C. Hendriks.

BESLISSING

De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Het gaat in deze zaak om de terugvordering van € 561,- omdat sprake is van naderhand in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste van de Participatiewet (PW). Appellant heeft een belastingteruggave ontvangen die het college als inkomen in aanmerking heeft genomen.

Niet in geschil is dat sprake is van naderhand verkregen in aanmerking te nemen middelen die betrekking hebben op de periode waarover bijstand is verleend. Appellant voert echter aan dat hij steeds alles keurig heeft gemeld en niet wist dat hij de belastingteruggave moest melden. Die wetenschap, of een schending van de inlichtingenverplichting, is echter niet nodig om op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW tot terugvordering over te kunnen gaan. Niet relevant is of appellant een verwijt kan worden gemaakt. Het gaat erom dat onverschuldigd bijstand is betaald omdat appellant naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen kan beschikken. Dat is het geval, zodat het college bevoegd was terug te vorderen.

Het college heeft in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kunnen maken. Dat is niet anders omdat, zoals appellant stelt, het college zelf had kunnen en moeten constateren dat er maandelijks teveel loonbelasting werd geheven, wat ertoe heeft geleid dat bij appellant de indruk ontstond dat hij daadwerkelijk over de nabetaling kon en mocht beschikken zonder dat hij dat hoefde te melden. Op het college rust, anders dan appellant stelt, geen verplichting om de loonstroken te onderzoeken om te bezien of de belastingheffing al dan niet correct heeft plaatsgevonden.

De gronden in hoger beroep slagen dus niet. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.

Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) L.R. Daman (getekend) P.W. van Straalen