Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:653

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2020
Datum publicatie
16-03-2020
Zaaknummer
17/2989 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning AKW-uitkering met ingang van het tweede kwartaal van 2014. Bezwaar ongegrond. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat geen sprake is van een bijzonder geval. Omdat geen sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 14, derde lid, van de AKW en de Svb dus niet de bevoegdheid toekwam aan de toekenning van de kinderbijslag verdere terugwerkende kracht dan één jaar te geven, moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/834
USZ 2020/95
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2989 AKW

Datum uitspraak: 12 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

14 maart 2017, 16/6968 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats], Spanje (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2020. Namens appellante is verschenen mr. De Roy van Zuydewijn. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A. van der Weerd.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft samen met haar inmiddels ex-echtgenoot in Spanje gewoond. Uit dat huwelijk zijn op respectievelijk [in 1] 2002 en [in 2] 2004 geboren de kinderen [kind A] en [kind B]. Nadat de relatie tussen appellante en haar ex-echtgenoot verbroken was, is laatstgenoemde in 2009 naar Nederland teruggekeerd.

1.2.

Medio 2015 heeft appellante een aanvraag om kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ingediend bij de Svb. Bij besluit van 20 juni 2016 heeft de Svb met ingang van het tweede kwartaal van 2014 kinderbijslag aan appellante toegekend. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, omdat de kinderbijslag volgens haar ten onrechte niet met een verdergaande terugwerkende kracht is toegekend. Bij besluit van 27 september 2016 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat geen sprake is van een bijzonder geval, zodat de Svb niet bevoegd was het recht op kinderbijslag eerder vast te stellen dan vanaf het tweede kwartaal van 2014.

3. In hoger beroep heeft appellante haar in beroep ingenomen standpunt herhaald dat er wel sprake is van een bijzonder geval, omdat haar aanvraag door onbekendheid met verdragsbepalingen te laat is ingediend. De kinderbijslag is op grond van het arrest Romana Slanina van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 november 2009, C-363/08 (arrest Slanina) toegekend. Naar aanleiding van dat arrest heeft de Svb pas in 2012 haar beleid aangepast en personen die in de situatie van appellante verkeren kinderbijslag toegekend. Op de website van de Svb is voor personen in de situatie van appellante niet eenvoudig terug te vinden dat zij aanspraak kunnen maken op kinderbijslag. Appellante kan gelet hierop niet worden verweten dat zij pas medio 2015 een aanvraag heeft ingediend.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of de beoordeling van de aanspraak op kinderbijslag van appellante zich beperkt tot de periode van één jaar voorafgaande aan de aanvraag van medio 2015 om kinderbijslag.

4.2.

Ingevolge artikel 14, derde lid, van de AKW kan het recht op kinderbijslag niet vroeger ingaan dan één jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kwartaal waarin de aanvraag werd ingediend. In de tweede volzin van dit artikellid was ten tijde in geding voorts bepaald dat de Svb in bijzondere gevallen bevoegd is af te wijken van het bepaalde in de eerste volzin. Daarbij beoordeelt de Svb eerst of sprake is van een bijzonder geval.

4.3.

Volgens de in de rechtspraak aanvaarde uitleg van de Svb is sprake van een bijzonder geval indien de belanghebbende:

- door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen;

- onbekend was met zijn mogelijke recht op kinderbijslag en deze onbekendheid verschoonbaar was.

Een situatie die zich kan voordoen om een bijzonder geval aan te kunnen nemen, is dat de onbekendheid met rechten voortvloeit uit verdragsbepalingen of uit bijzondere nationale bepalingen. Hoofdregel is dat onbekendheid met de wet of een internationale regeling niet zonder meer leidt tot het aannemen van een bijzonder geval, tenzij blijkt van een bijkomende omstandigheid op grond waarvan betrokkene niet op de hoogte kon zijn van zijn wettelijke rechten.

4.4.

De Svb neemt onder bepaalde voorwaarden een bijzonder geval aan als de wetgever nationale bepalingen niet tijdig in overeenstemming heeft gebracht met internationale, rechtstreeks werkende bepalingen, en de hoogste bevoegde rechter op een zeker moment strijdigheid met een dergelijke internationale bepaling aanwezig acht. Voorwaarde is dat de betrokkene naar aanleiding van zo'n omslag in de jurisprudentie, die voldoende bekend is gemaakt, een aanvraag heeft ingediend. Indien niet binnen één jaar na de bekendmaking van de jurisprudentie een aanvraag wordt ingediend, is er geen sprake van een bijzonder geval, omdat algemeen bekend is geworden dat die aanspraken (kunnen) bestaan. Voor de termijn van één jaar is aansluiting gezocht bij de in de wet gehanteerde termijnen.

4.5.

De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat geen sprake is van een bijzonder geval. Het volgende wordt van belang geacht. De Svb heeft in 2012 de uit het arrest Slanina voortvloeiende gevolgen in beleidsregels vastgesteld. Tot dit moment kan niet in redelijkheid worden gesteld dat appellante kon weten dat zij aanspraak had op kinderbijslag. Na de beleidswijziging ligt de situatie anders. Op dat moment heeft de Svb voldoende kenbaar gemaakt dat personen die in de situatie van appellante verkeren, mogelijk recht hebben op kinderbijslag. Appellante heeft vervolgens pas medio 2015 een aanvraag om kinderbijslag ingediend. Afgezien van de enkele stelling dat appellante onbekend was met haar recht op kinderbijslag, zijn er geen bijkomende omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zij niet op de hoogte kon zijn van haar rechten. Niet is gebleken dat het voor appellante niet mogelijk is geweest zich op de hoogte te stellen van ontwikkelingen in de wetgeving op het gebied van de AKW. Zij heeft erkend niet eerder contact te hebben gezocht met de Svb of het Spaanse zusterorgaan om zich hierover te laten informeren. Dit komt voor rekening en risico van appellante.

4.6.

Omdat geen sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 14, derde lid, van de AKW en de Svb dus niet de bevoegdheid toekwam aan de toekenning van de kinderbijslag verdere terugwerkende kracht dan één jaar te geven, moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en R.E. Bakker en A. van Gijzen als leden, in tegenwoordigheid van G.S.M. van Duinkerken als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2020.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) G.S.M. van Duinkerken