Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:651

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2020
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
17/3429 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om toekenning van kinderbijslag op grond van de AKW. Er is geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/165
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3429 AKW

Datum uitspraak: 12 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
3 april 2017, 16/1085 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

[betrokkene] te [woonplaats], Marokko (betrokkene)

PROCESVERLOOP

De Svb heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. C.A.Y. de Roy van Zuydewijn, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2020. Namens betrokkene is verschenen mr. De Roy van Zuydewijn. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A. van der Weerd.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene heeft in Nederland gewoond en gewerkt en is op enig moment teruggekeerd naar Marokko. Daar heeft hij zich met ingang van 6 juli 1992 ziek gemeld. Na het voeren van diverse procedures is betrokkene bij besluit van 24 maart 2003 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet.

1.2.

Op 16 september 2003 heeft betrokkene verzocht om toekenning van kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ten behoeve van zijn kinderen. Bij besluit van 5 februari 2004 heeft de Svb de aanvraag met een terugwerkende kracht van 1 jaar beoordeeld en deze aanvraag met ingang van het derde kwartaal van 2002 afgewezen omdat betrokkene niet verzekerd was voor de AKW. Het besluit van 5 februari 2004 is rechtens onaantastbaar geworden door de uitspraak van de rechtbank van 28 maart 2006.

1.3.

Bij besluit van 10 december 2010 is aan betrokkene door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen medegedeeld dat hij met ingang van 5 juli 1993 recht heeft op een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Vervolgens heeft betrokkene de Svb op 11 maart 2011 verzocht om kinderbijslag toe te kennen. Bij besluit van 9 november 2011, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 1 mei 2012, heeft de Svb betrokkene medegedeeld dat hij met ingang van het derde kwartaal van 2011 recht heeft op kinderbijslag. Tevens is betrokkene medegedeeld dat hij over de periode van het tweede kwartaal van 2003 tot en met het tweede kwartaal van 2011 geen recht heeft op kinderbijslag. De rechtbank heeft bij uitspraak van 19 december 2013 de beslissing op bezwaar van 1 mei 2012 vernietigd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat betrokkene met de aanvraag van 16 september 2003 zijn recht op kinderbijslag heeft veiliggesteld en dat het recht daarop met ingang van het tweede kwartaal van 2002 zou kunnen ingaan. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft de Svb op 14 april 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarbij betrokkene met ingang van het tweede kwartaal van 2002 kinderbijslag is toegekend. Tegen deze beslissing heeft betrokkene geen rechtsmiddel ingesteld.

1.4.

In reactie op het verzoek van betrokkene van 10 oktober 2014, heeft de Svb bij besluit van 7 mei 2015 geweigerd kinderbijslag toe kennen over de periode van het derde kwartaal van 1993 tot en met het eerste kwartaal van 2002. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 11 december 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat betrokkene in zijn verzoek van 10 oktober 2014 geen nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) naar voren heeft gebracht die nopen tot een terugkomen van eerdere besluitvorming over het recht op kinderbijslag.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de Svb opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzoek van 10 oktober 2014 ten onrechte als een herhaalde aanvraag is aangemerkt. Verder is overwogen dat de door betrokkene in beroep ingebrachte brief van 28 augustus 1993 is aan te merken als een daad van veiligstellen, zodat het recht op kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 1993 zou kunnen ingaan, mits aan de overige voorwaarden wordt voldaan.

3. In hoger beroep heeft de Svb aangevoerd dat het verzoek van 10 oktober 2014 wel een herhaalde aanvraag is. Verder heeft de Svb zich op het standpunt gesteld dat de brief van 28 augustus 1993 niet als een daad van veiligstellen is aan te merken, omdat er wordt getwijfeld aan de echtheid daarvan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is ten eerste in geschil of de brief van betrokkene van 10 oktober 2014, waarin wordt verzocht om met ingang van het derde kwartaal van 1993 kinderbijslag toe te kennen, als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb dient te worden aangemerkt.

4.2.

Betrokkene heeft op 16 september 2003 en 11 maart 2011 verzocht om toekenning van kinderbijslag. In de op deze aanvragen volgende besluitvorming is de mate van terugwerkende kracht expliciet aan de orde geweest. Zo is in het besluit van 5 februari 2004 overwogen dat de aanvraag om kinderbijslag met een terugwerkende kracht van slechts 1 jaar wordt beoordeeld. In het besluit van 9 november 2011 is de aanvraag met ingang van het tweede kwartaal van 2003 beoordeeld, de rechtbank heeft de ingangsdatum bepaald op de peildatum van het tweede kwartaal van 2002, wat uiteindelijk heeft geleid tot toekenning van kinderbijslag conform het oordeel van de rechtbank. Het verzoek van 10 oktober 2014 is gericht op het verkrijgen van hetzelfde rechtsgevolg als waarop de eerdere aanvragen zagen, namelijk het met terugwerkende kracht toekennen van kinderbijslag. Het verzoek van 10 oktober 2014 dient dan ook te worden aangemerkt als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De rechtbank heeft dit miskend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

4.3.1.

Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, wordt als volgt geoordeeld.

Uit 4.2 volgt dat het verzoek van 10 oktober 2014 aan de hand van het toetsingskader van artikel 4:6 van de Awb dient te worden beoordeeld.

4.3.2.

Uit de uitspraak van de Raad van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) vloeit voort dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel is gekomen dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is. Als het bestuursorgaan beleid voert, toetst de bestuursrechter in de eerste plaats of het bestuursorgaan een juiste toepassing heeft gegeven aan zijn beleid.

4.3.3.

Naar aanleiding van de onder 4.3.2 vermelde uitspraak heeft de Svb het beleid met betrekking tot het terugkomen van een rechtens onaantastbaar besluit op verzoek van de belanghebbende, zoals neergelegd in beleidsregels SB1076, gewijzigd. Dit beleid luidt, voor zover van belang in deze zaak, als volgt. Voor zover het herzieningsverzoek ziet op de periode die ligt voor de datum waarop de Svb het ontvangt, is de Svb bevoegd om het verzoek om herziening zonder nader onderzoek af te wijzen onder verwijzing naar het eerdere besluit, tenzij dit evident onredelijk is. De Svb acht het evident onredelijk om zonder terugwerkende kracht terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit, als de Svb uit hetgeen belanghebbende in zijn herzieningsverzoek aanvoert concludeert dat dit besluit onmiskenbaar onjuist is.

4.3.4.

De Svb heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb geen sprake is. De pas in beroep ingebrachte brief van 28 augustus 1993 kan niet als een nieuw feit worden aangemerkt, reeds omdat deze eerder had kunnen worden ingebracht. Dit wordt niet betwist door betrokkene.

4.3.5.

Ook heeft de Svb zich terecht op het standpunt gesteld dat de definitieve besluitvorming naar aanleiding van de aanvragen om toekenning van kinderbijslag van 16 september 2003 en 11 maart 2011 niet onmiskenbaar onjuist is. In dit verband is het volgende van belang. Aan betrokkene is kinderbijslag toegekend met ingang van het tweede kwartaal van 2002, omdat hij met de aanvraag van 16 september 2003 zijn recht op kinderbijslag heeft veiliggesteld. Betrokkene stelt dat hij met de brief van 28 augustus 1993 de Svb al op de hoogte heeft gebracht van een lopende WAO-procedure én daarmee heeft voldaan aan de voorwaarde voor het veiligstellen van een recht op kinderbijslag (zie de uitspraak van 16 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI1503). Gelet op het hier van toepassing zijnde toetsingskader ligt het op de weg van betrokkene om buiten twijfel aannemelijk te maken dat al eerder sprake is geweest van een daad van veiligstellen. Betrokkene is hier niet in geslaagd. De twijfel die de Svb aan de echtheid van de brief van 28 augustus 1993 heeft is niet ongerechtvaardigd. De brief heeft weliswaar een ontvangststempel, maar is niet terug te vinden in het archief van de Svb, terwijl andere stukken uit die periode wel zijn bewaard. Verder is de brief pas in deze procedure in de beroepsfase ingebracht, terwijl in redelijkheid verwacht mag worden dat deze veel eerder aan de Svb zou zijn toegezonden. Het is verder opmerkelijk dat betrokkene in bezit is van een brief voorzien van een ontvangststempel van de Svb, terwijl de Svb bij ontvangst van een in persoon afgeleverde brief in de regel geen kopie met ontvangststempel retour geeft. Betrokkene heeft voor deze gang van zaken geen aannemelijke verklaring gegeven.

4.4.

Gelet op 4.3.1 tot en met 4.3.5 heeft de Svb het verzoek van 10 oktober 2014 met toepassing van het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb kunnen afwijzen. Dit betekent dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 11 december 2015 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en R.E. Bakker en A. van Gijzen als leden, in tegenwoordigheid van G.S.M. van Duinkerken als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2020.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) G.S.M. van Duinkerken