Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:646

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2020
Datum publicatie
16-03-2020
Zaaknummer
18/47 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:10004, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herbeoordeling. Geen recht meer op een WIA-uitkering. Geschikt voor drie voorbeeldfuncties. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de verzekeringsartsen zorgvuldig onderzoek hebben verricht naar de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen. De rechtbank heeft terecht geen aanknopingspunten gevonden om de medische beoordeling van de verzekeringsartsen voor onjuist te houden. Wat appellant in hoger beroep, onder verwijzing naar het rapport van de Landelijke Expertisebalie, heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank. Uitgaande van de juistheid van de FML van 28 februari 2017 wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat de belastbaarheid van appellant in de aan de schatting ten grondslag gelegde voorbeeldfuncties niet wordt overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

20 december 2017, 17/2795 (aangevallen uitspraak)

Datum uitspraak: 12 maart 2020

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. ing. A.T. Tilburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een rapport van een arts en een arbeidsdeskundige van de Landelijke Expertisebalie, gedateerd 11 maart 2019, aan de Raad gezonden.

Het Uwv heeft hierop gereageerd met een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 juli 2019 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 16 juli 2019.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Tilburg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als restauratiestukadoor. Op 8 augustus 2012 heeft hij zich ziek gemeld voor deze werkzaamheden vanwege rugklachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 6 augustus 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%.

Van 31 augustus 2014 tot en met 30 augustus 2016 is appellant werkzaam geweest bij een sociale werkplaats.

1.2.

In het kader van een herbeoordeling is appellant op 28 september 2016 onderzocht op het spreekuur van een verzekeringsarts. Deze verzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat de behandelend sector geen somatische verklaring heeft voor de rugklachten van appellant. Appellant wordt in staat geacht om lichte werkzaamheden te verrichten, waarbij de rug niet te zwaar wordt belast en rekening wordt gehouden met verminderde alertheid vanwege medicijngebruik. Deze beperkingen heeft de verzekeringsarts weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 oktober 2016. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen werk als stukadoor, maar nog wel voor andere functies. Op basis van drie voorbeeldfuncties heeft hij een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 27,02%. Bij besluit van 21 oktober 2016 is vastgesteld dat appellant met ingang van 22 december 2016 (datum in geding) geen recht meer heeft op een WIA-uitkering.

1.3.

In bezwaar heeft appellant gesteld dat het onbegrijpelijk is dat hij in staat wordt geacht om 40 uur per week te werken. Hij kon zijn werkzaamheden bij de sociale werkplaats alleen volhouden als hij na een werkdag een dag rust kon houden om bij te komen.

1.4.

Een verzekeringsarts bezwaar en beroep is tot de conclusie gekomen dat het medisch oordeel over de rugklachten, en de in verband met deze klachten vastgestelde beperkingen, gevolgd kan worden. Vanwege het ontbreken van psychopathologie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep enkele beperkingen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren uit de FML verwijderd. Op 28 februari 2017 heeft hij de FML aangepast. Met het oog op deze aanpassing heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies vervangen door een reservefunctie en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 25,60%. Bij besluit van 30 maart 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de visie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. Het bestreden besluit berust volgens de rechtbank op een juiste medische grondslag. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant, gelet op de voor hem op 28 februari 2017 vastgestelde FML, per 22 december 2016 medisch gezien in staat moet worden geacht de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies te vervullen.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt niet juist is. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een rapport van de Landelijke Expertisebalie ingediend. Dit rapport is opgesteld door verzekeringsarts M. de Winter en arbeidsdeskundige M. Overduin. De Winter heeft gerapporteerd dat appellant meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft vastgesteld. Er is volgens haar in de FML onvoldoende rekening gehouden met de psychische problemen en de rug- en luchtwegklachten. Volgens Overduin is er in twee van de voorbeeldfuncties sprake van een te hoog handelingstempo.

3.2.

Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft daarbij verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 juli 2019 en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 16 juli 2019, opgesteld naar aanleiding van het rapport van de Landelijke Expertisebalie.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de verzekeringsartsen zorgvuldig onderzoek hebben verricht naar de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen. De rechtbank heeft terecht geen aanknopingspunten gevonden om de medische beoordeling van de verzekeringsartsen voor onjuist te houden. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd.

4.2.

Wat appellant in hoger beroep, onder verwijzing naar het rapport van de Landelijke Expertisebalie, heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in reactie op dat rapport inzichtelijk en afdoende gemotiveerd dat de bevindingen van De Winter geen aanleiding geven om het ingenomen standpunt te wijzigen. Er zijn geen concrete aanwijzingen om aan te nemen dat er rond de datum in geding sprake was van een dermate ernstige psychopathologie dat meer beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren gerechtvaardigd kunnen worden. Hetzelfde geldt voor de beperkingen vanwege rug- en luchtwegklachten. Over de luchtwegklachten heeft appellant bij de beoordeling gemeld dat deze geen rol spelen. De beperkingen in verband met de rugklachten zijn gebaseerd op lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts in september 2016 en de door orthopedisch chirurg dr. H.I.H. Lampe en neuroloog S.C. Li beschreven degeneratieve afwijkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep acht het terecht van belang dat er geen neurologische problematiek is vastgesteld waardoor een ernstiger beperking van de bewegelijkheid kan worden verklaard.

4.3.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 28 februari 2017 wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat de belastbaarheid van appellant in de aan de schatting ten grondslag gelegde voorbeeldfuncties niet wordt overschreden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 16 juli 2019 toegelicht dat in de functies geen sprake is van een te hoog handelingstempo of structureel overwerk.

4.4.

Gelet op wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 slaagt het hoger beroep niet.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2020.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) R.H. Koopman