Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:627

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2020
Datum publicatie
12-03-2020
Zaaknummer
18/2554 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening studiefinanciering, in die zin dat appellante vanaf

1 november 2014 als thuiswonende studerende is aangemerkt. Terugvordering. Appellante kan niet onomstotelijk bewijzen dat zij in (een deel van) de periode voorafgaand aan het huisbezoek wel op het brp‑adres heeft gewoond (vergelijk de uitspraak van de Raad van 23 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1246).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2554 WSF

Datum uitspraak: 11 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
29 maart 2018, 17/2377 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft M.V. Hazekamp hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door Hazekamp. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door
drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante stond vanaf 6 oktober 2014 in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven onder het adres [adres] (brp-adres). Appellante heeft vanaf 1 november 2014 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) ontvangen, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.

1.2.

Twee controleurs hebben in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellante. Zij hebben in dat kader op 16 mei 2017 een huisbezoek afgelegd op het brp-adres om te controleren of appellante op dat adres woont. Van dit onderzoek is een rapport opgemaakt.

1.3.

De minister heeft op basis van de bevindingen van het onderzoek bij besluit van 23 juni 2017 de aan appellante toegekende studiefinanciering herzien, in die zin dat zij vanaf
1 november 2014 als thuiswonende studerende is aangemerkt. Daarbij heeft de minister een bedrag van € 6.586,94 van haar teruggevorderd.

1.4.

De minister heeft bij besluit van 18 oktober 2017 (besteden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 juni 2017 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe, voor zover van belang, overwogen dat appellante ten tijde van het huisbezoek niet woonde op het brp-adres zodat zij niet heeft voldaan aan de verplichting van artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000. De minister was daarom gehouden het recht op studiefinanciering van appellante te herzien. Het beroep van appellante op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 27 september 2011, Hrdalo tegen Kroatië, nr. 23272/07 (Hrdalo) slaagt niet. In de besluitvorming die in deze procedure voorligt, vindt immers geen vaststelling van schuld plaats en wordt ook niet van die schuld uitgegaan. Hierdoor bestaat geen zodanige band als bedoeld in het eerder genoemd arrest. De rechtbank heeft daarnaast overwogen dat appellante niet onomstotelijk heeft bewezen dat zij voorafgaand aan de geconstateerde overtreding wel op het brp-adres woonde. Gelet hierop heeft de minister terecht het recht op studiefinanciering van appellante herzien vanaf 1 november 2014.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat uit de door haar overgelegde bewijsstukken volgt dat zij vanaf 6 oktober 2014 tot eind april 2017 op het brp-adres woonde. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Daarnaast heeft appellante betoogd dat het bewijsvermoeden van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 moet worden beperkt tot een periode van 12 maanden voorafgaand aan de maand waarin het huisbezoek heeft plaatsgevonden. Appellante heeft verder verzocht een door haar ingeschakelde mediator als getuige te horen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante ten tijde van het huisbezoek op 16 mei 2017 niet op het brp-adres woonde. Daarmee staat vast dat zij niet heeft voldaan aan de verplichting van artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000. Deze vaststelling leidt voor appellante als gevolg van de werking van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 in beginsel tot herziening van de aan haar toegekende studiefinanciering naar de norm die geldt voor een thuiswonende studerende met ingang van 1 november 2014.

4.2.

Anders dan appellante betoogt, biedt het arrest Hrdalo geen enkel aanknopingspunt voor het standpunt van appellante dat het onder 4.1 vermelde weerlegbaar rechtsvermoeden in dit geval in strijd is met artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Evenmin volgt uit dit arrest dat door het opleggen van een boete de herziening een punitief karakter krijgt. Het arrest ziet overigens ook op een geheel andere situatie dan hier aan de orde. In het onderhavige geschil is er geen sprake van dat een nog niet onherroepelijk geworden vonnis van de strafrechter een rol speelt, dan wel dat appellante geen kennis heeft gekregen van een processtuk. De beroepsgrond slaagt niet.

4.3.

Uit 4.1 volgt dat vervolgens aan de orde is de vraag of appellante onomstotelijk kan bewijzen dat zij in (een deel van) de periode voorafgaand aan het huisbezoek wel op het brp‑adres heeft gewoond (vergelijk de uitspraak van de Raad van 23 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1246).

4.4.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante hier niet in is geslaagd. Hoewel het niet onwaarschijnlijk is dat zij tijdelijk op het brp-adres heeft gewoond, is met de geschetste feiten, overgelegde verklaringen, poststukken en foto’s geen onomstotelijk bewijs geleverd. Dat geldt ook als deze in onderlinge samenhang worden bezien. Daar komt nog bij dat appellante en de hoofdbewoner van het brp-adres tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over de huurbetalingen, de aanwezige spullen van appellante en haar aanwezigheid op het brp-adres. Verder zijn de verklaringen van appellante over de huurbetalingen en de reden waarom zij uit het ouderlijk huis is weggegaan niet eenduidig. Deze tegenstrijdigheden doen afbreuk aan de geloofwaardigheid van haar verklaringen.

4.5.

Gelet op het voorgaande bestaat evenmin aanleiding de mediator als getuige te horen. Op voorhand is immers duidelijk dat de omstandigheden waarover zij kan verklaren, namelijk het voeren van mediationgesprekken met appellante en haar vader op het brp-adres, niet kunnen afdoen aan de geconstateerde tegenstrijdigheden.

4.6.

Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van E.D. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2020.

(getekend) J. Brand

(getekend) E.D. de Jong