Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:621

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
12-03-2020
Zaaknummer
18/5361 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant geen recht had op een faillissementsuitkering omdat er geen sprake is geweest van een verzekeringsplicht op grond van een privaatrechtelijke dienstbetrekking bij [BV] . Op grond van artikel 22a van de WW was het Uwv verplicht tot intrekking van de faillissementsuitkering over de periode van 1 juni 2012 tot en met 13 december 2012 over te gaan en op grond van artikel 36 van de WW was het Uwv verplicht om de over die periode onverschuldigd betaalde faillissementsuitkering terug te vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2020/131
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5361 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

31 augustus 2018, 17/4350 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 10 maart 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.J. Luursema, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2020. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

1.1.

[BV] ( [BV] ) is op 30 oktober 2012 failliet verklaard. Appellant heeft op 2 november 2012 een formulier Aanvraag overname betalingsverplichtingen ingediend bij het Uwv. Op dit formulier heeft hij vermeld dat zijn werkgever [BV] is en hij sinds 16 april 2012 als administratief medewerker/boekhouder in dienst is voor bepaalde tijd tot en met 15 april 2013 voor 36 uur per week. Bij besluit van 19 december 2012 heeft het Uwv appellant over de periode van 1 juni 2012 tot en met 13 december 2012 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van hoofdstuk IV (faillissementsuitkering) van de Werkloosheidswet (WW) voor niet betaald loon, vakantiegeld, vakantiedagen en reiskosten voor een totaal bedrag van € 19.317,04 bruto.

1.2.

Naar aanleiding van het vermoeden dat sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband, heeft het Uwv onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de faillissementsuitkering van appellant. In het kader van dat onderzoek heeft dossieronderzoek plaatsgevonden, heeft op 24 april 2015 telefonisch contact plaatsgevonden met [naam 1] , bestuurder van [BV] ten tijde van het faillissement, en heeft de themaonderzoeker op 30 april 2015 een bezoek afgelegd bij [naam 1] . Tijdens het telefoongesprek heeft [naam 1] verklaard dat de arbeidsovereenkomst van 13 april 2012, waarin appellant is aangesteld als loonadministrateur/boekhouder tegen een salaris van € 3.750,- per maand, achteraf is opgesteld. Volgens [naam 1] is er geen sprake geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen [BV] en appellant. Tijdens het afgelegde bezoek heeft de themaonderzoeker vastgesteld dat de handtekening op de arbeidsovereenkomst van [naam 1] en de handtekening die [naam 1] tijdens het bedrijfsbezoek op een vel papier heeft gezet niet op elkaar lijken. [naam 1] heeft verklaard dat [naam 2] de boekhouder was en dat [naam 2] de loonadministratie voor vier medewerkers uitvoerde. Daar behoorde appellant niet bij. Op basis van een afspraak met de belastingdienst mocht het salaris van [naam 1] een bedrag van € 30.000,- per jaar niet overschrijden. [naam 1] acht het onbestaanbaar dat appellant bij [BV] een salaris van € 3.750,- per maand zou hebben gekregen want dat is op jaarbasis meer dan € 30.000,-. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in een rapport van 1 mei 2015.

1.3.

Bij besluit van 8 juni 2015 heeft het Uwv de faillissementsuitkering herzien (lees: ingetrokken) over de periode van 1 juni 2012 tot en met 13 december 2012 en van appellant het aan hem uitgekeerde bedrag van € 21.227,90 bruto teruggevorderd.

1.4.

Het Uwv heeft nader onderzoek verricht. In het kader daarvan heeft de themaonderzoeker telefonisch contact gehad met [naam 2] en zijn op 30 augustus 2017 [naam 3] en op 31 augustus 2017 [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] als getuigen gehoord. Deze vier personen zijn werkzaam geweest bij [BV] toen appellant daar ook werkzaam zou zijn geweest. Getuige [naam 3] heeft verklaard dat [naam 2] de boekhouding van [BV] deed en af en toe langskwam. Hij kende appellant niet als collega. Volgens getuige [naam 3] kwam appellant wel eens in de zaak en huurde hij samen met [naam 7] ruimte op de bovenetage van het garagebedrijf van [BV] . Getuige [naam 4] heeft verklaard dat zij als secretaresse van [naam 1] de telefoon deed en administratieve werkzaamheden verrichtte en dat zij drie collega’s, alle drie monteurs, had en dat er in totaal vier werknemers waren. Zij werkte in een eigen kantoortje en [naam 1] had een kantoortje. Volgens getuige [naam 4] waren er in totaal twee kantoortjes. Getuige [naam 4] heeft verder verklaard dat zij appellant niet kende en dat er naast [naam 2] niet nog meer boekhouders waren. Getuige [naam 5] en getuige [naam 6] hebben verklaard dat zij appellant niet kenden als collega en dat zij hem nooit werkend bij [BV] hebben gezien. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in een rapport van 18 september 2017.

1.5.

Bij besluit van 30 oktober 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 juni 2015 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat uit de onderzoeksbevindingen in de rapporten van 1 mei 2015 en 18 september 2017 volgt dat er vanaf 16 april 2012 geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen [BV] en appellant omdat er volgens het Uwv geen verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, geen gezagsverhouding en geen verplichting tot het betalen van loon bestond.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de onderzoeksbevindingen in de rapporten van 1 mei 2015 en 18 september 2017 voldoende aanknopingspunten bieden voor het standpunt van het Uwv dat er tussen [BV] en appellant geen privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft bestaan. Naar het oordeel van de rechtbank is appellant er niet in geslaagd om tegenbewijs te leveren. Hiertoe heeft zij overwogen dat [naam 1] ten aanzien van de arbeidsovereenkomst van 13 april 2012, die zich bij de stukken bevindt, heeft verklaard dat hij geen dienstverband is aangegaan met appellant en dat de handtekening die op de overeenkomst onder zijn naam is geplaatst niet van hem is. Deze verklaringen zijn in lijn met de overige onderzoeksbevindingen. De omstandigheid dat de vader van [naam 1] op 31 oktober 2012 als zaakwaarnemer van zijn zoon, die op dat moment in detentie zat, zou hebben verklaard dat appellant als boekhouder in dienst was bij het bedrijf, leidt niet tot een ander oordeel omdat niet duidelijk is op welke gegevens deze verklaring is gebaseerd. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet als werknemer is aan te merken en dat hij niet verzekerd is geweest voor de WW en dat hij daarom geen recht had op een faillissementsuitkering over de periode van 1 juni 2012 tot en met 13 december 2012.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn bij de rechtbank ingenomen standpunt herhaald dat hij arbeid heeft verricht en loon door contante uitbetaling heeft ontvangen van [BV] en dat tussen [BV] en hem ook sprake is geweest van een gezagsverhouding, waardoor aan alle voorwaarden voor een privaatrechtelijke dienstbetrekking is voldaan. Appellant heeft de juistheid van de rapporten van het Uwv bestreden. Appellant heeft er onder meer op gewezen dat er sprake is van een ondertekende arbeidsovereenkomst. Dat er geen bescheiden over zijn functioneren zijn aangetroffen kan appellant niet verklaren maar dat betreft volgens hem de verantwoordelijkheid van de directie. Appellant acht het niet vreemd dat hij niet is aangesproken op de uitvoering van zijn werkzaamheden omdat hij deze altijd correct heeft verricht. Voor appellant staat vast dat hij zijn salaris door contante uitbetaling heeft ontvangen en dat daarvan specificaties zijn opgemaakt. Volgens appellant is voor de beoordeling van deze zaak niet van belang dat hij niet aansluitend aan zijn dienstverband bij [BV] een WW-uitkering heeft aangevraagd.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar overweging 8 van de aangevallen uitspraak.

4.2.1.

Naar vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke

dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 15 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1785). Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (zie onder meer de uitspraken van de Hoge Raad van 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3887, en 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8926).

4.2.2.

Bij besluiten tot intrekking en terugvordering van sociale zekerheidsuitkeringen als hier aan de orde gaat het om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het aan het Uwv is om de feiten aan te dragen aan de hand waarvan het aannemelijk is dat er vanaf 16 april 2012 geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen [BV] en appellant. Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat appellant ten tijde in geding geen dienstbetrekking in de zin van de sociale verzekeringswetten heeft vervuld, dan ligt het op de weg van appellant om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 4 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1680).

4.3.

In hoger beroep heeft appellant de in eerdere fasen van de procedure naar voren gebrachte gronden en argumenten in essentie herhaald. Deze leiden niet tot een ander oordeel dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank dat het standpunt van het Uwv, dat gelet op de onderzoeksbevindingen in de rapporten van 1 mei 2015 en 18 september 2017 er tussen [BV] en appellant geen privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft bestaan, op een toereikende grondslag berust en dat appellant er niet in is geslaagd om tegenbewijs te leveren. De rechtbank heeft de gronden en argumenten afdoende besproken en met juistheid beoordeeld dat zij niet slagen. De overwegingen van de rechtbank worden geheel onderschreven. Appellant heeft ook in hoger beroep geen concrete verifieerbare gegevens overgelegd op grond waarvan aannemelijk is dat hij in een privaatrechtelijke dienstbetrekking bij [BV] heeft gewerkt. Volstaan wordt daarom verder te verwijzen naar de aangevallen uitspraak.

4.4.

Het Uwv heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat appellant geen recht had op een faillissementsuitkering omdat er geen sprake is geweest van een verzekeringsplicht op grond van een privaatrechtelijke dienstbetrekking bij [BV] . Op grond van artikel 22a van de WW was het Uwv verplicht tot intrekking van de faillissementsuitkering over de periode van 1 juni 2012 tot en met 13 december 2012 over te gaan en op grond van artikel 36 van de WW was het Uwv verplicht om de over die periode onverschuldigd betaalde faillissementsuitkering terug te vorderen.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en S. Wijna en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van F.E.M. Boon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2020.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) F.E.M. Boon

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.