Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:613

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
16-03-2020
Zaaknummer
17/7783 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:6821, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geharmoniseerde verplichting niet nagekomen. Niet verschijnen op gesprek over onderzoek arbeidsmogelijkheden. Verlaging 100% voor één maand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7783 PW

Datum uitspraak: 10 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 oktober 2017, 17/2780 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Marcus, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Marcus. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.G. Smout.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving ten tijde hier van belang bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Het college heeft bij besluit van 6 oktober 2016 de bijstand van appellant bij wijze van maatregel met ingang van 1 november 2016 voor de duur van een maand verlaagd met 100%. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant niet is verschenen op gesprekken van 8, 15 en 23 september 2016 en dat hij daardoor niet heeft meegewerkt aan het opstellen, uitvoeren en/of evalueren van een plan van aanpak. Het college heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 18, tweede lid, van de PW en artikel 27, aanhef en onder a ten eerste, en artikel 30 van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2015 (Verzamelverordening) van de gemeente Tilburg. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.3.

Het college heeft bij brief van 10 oktober 2016 appellant uitgenodigd voor een gesprek op 18 oktober 2016. Appellant is niet op dat gesprek verschenen. Vervolgens heeft het college appellant bij aangetekend verzonden brief van 18 oktober 2016 uitgenodigd voor een gesprek op 1 november 2016 in het kader van een onderzoek naar de mogelijkheden van appellant op de arbeidsmarkt en participatie. Die brief is op 25 oktober 2016 door appellant bij PostNL Business Point de Verzendspecialist afgehaald. Ook op dat gesprek is appellant niet verschenen.

1.4.

Bij besluit van 9 december 2016 heeft het college de bijstand van appellant bij wijze van maatregel met ingang van 1 januari 2017 voor de duur van drie maanden verlaagd met 100%. Bij besluit van 26 januari 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen dat besluit gegrond verklaard en dat besluit deels herroepen, in die zin dat de duur van de maatregel is bepaald op twee maanden. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant, door zonder bericht van verhindering niet op de onder 1.3 vermelde gesprekken te verschijnen, niet heeft meegewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Het college heeft de maatregel gebaseerd op

artikel 18, tweede lid, van de PW en artikel 27, aanhef en onder a ten eerste, van de Verzamelverordening. De duur van de maatregel is mede gebaseerd op het standpunt dat sprake is van recidive binnen een periode van twaalf maanden als bedoeld in artikel 23, vijfde lid, van de Verzamelverordening.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft hij, samengevat, aangevoerd dat de gedraging hem niet kan worden verweten vanwege problemen met de postbezorging, dat dringende redenen aanwezig zijn om de maatregel af te stemmen op zijn omstandigheden en dat het college ten onrechte de recidivebepaling heeft toegepast.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende bepalingen van betekenis.

4.1.1.

Het college verlaagt op grond van artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h, van de PW, in ieder geval de bijstand overeenkomstig het vijfde, zesde, zevende of achtste lid ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de volgende verplichting: het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

4.1.2.

Het college verlaagt in het geval van het niet nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de PW op grond van het vijfde lid de bijstand met 100% voor een bij de verordening als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW vastgestelde periode van ten minste een maand en ten hoogste drie maanden. De hier bedoelde verordening is de Verzamelverordening. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Verzamelverordening wordt bij niet nakoming van artikel 18, vierde lid, van de PW een maatregel opgelegd van 100% van de bijstandsnorm voor de duur van een maand.

4.1.3.

Het college verlaagt op grond van artikel 18, zesde lid, van de PW in het geval de belanghebbende de verplichting als bedoeld in het vierde lid niet nakomt binnen twaalf maanden nadat het vijfde lid toepassing heeft gevonden, in afwijking van het vijfde lid, de bijstand met 100% voor een bij de verordening als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW vastgestelde periode die in ieder geval langer is dan de op grond van het vijfde lid vastgestelde periode van verlaging en ten hoogste drie maanden.

4.1.4.

Het college ziet op grond van artikel 18, negende lid, van de PW af van het opleggen van een maatregel, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.1.5.

Het college stemt op grond van artikel 18, tiende lid, van de PW een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel af op de omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, indien naar zijn oordeel, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.

4.2.

Ter zitting in hoger beroep heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de wettelijke grondslag van het bestreden besluit niet juist is. De aan appellant verweten gedraging moet op grond van artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h, van de PW leiden tot een maatregel, die gelet op de hiervoor onder 4.1.2 vermelde bepalingen in beginsel een verlaging van de bijstand met 100% gedurende één maand inhoudt. Uitgaande van die wettelijke grondslag moet de vraag of recidive aan de orde is worden beantwoord in het licht van artikel 18, zesde lid, van de PW. Gelet op de grondslag van het onder 1.2 vermelde besluit, kan niet gesproken worden van recidive als bedoeld in artikel 18, zesde lid, van de PW. Volgens het college dient daarom de duur van de maatregel te worden teruggebracht tot één maand.

4.3.

Het voorgaande betekent dat de grondslag van het bestreden besluit daaraan is komen te ontvallen voor zover het de motivering ervan en de duur van de opgelegde maatregel betreft. Het motiveringsgebrek zal met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht worden gepasseerd, omdat, gelet op wat hierna onder 4.4 wordt overwogen, aannemelijk is dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het de duur van de opgelegde maatregel betreft. Dit brengt mee dat de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, moet worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding om, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen voor zover het de duur van de opgelegde maatregel betreft. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de aan appellant opgelegde maatregel wordt vastgesteld op één maand. Hieraan ligt het volgende ten grondslag.

4.4.

Tussen partijen is niet langer in geschil dat appellant is uitgenodigd voor het gesprek op 1 november 2016 in het kader van een onderzoek naar de mogelijkheden van appellant op de arbeidsmarkt en participatie. Tevens staat vast dat appellant zonder tegenbericht niet op dat gesprek is verschenen. Dat betekent dat appellant de verplichting om mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h, van de PW niet is nagekomen.

4.5.

Appellant heeft aangevoerd dat hij de uitnodiging voor het gesprek op 18 oktober 2016 niet heeft ontvangen door een gebrekkige postbezorging, en gewezen op zijn persoonlijke omstandigheden. Hij stelt dat de gedraging hem daardoor niet kan worden verweten en dat het college daarom met toepassing van artikel 18, negende lid, van de PW had moeten afzien van het opleggen van een maatregel. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.5.1.

Dat appellant, zoals hij stelt, de uitnodiging voor het gesprek op 18 oktober 2016 niet heeft ontvangen, is niet van betekenis, nu vast staat dat appellant de uitnodiging voor het gesprek op 1 november 2016 wel heeft ontvangen. Dat appellant een psychische beperking heeft, zoals hij stelt, en dat hij in zijn persoonlijke zaken, financiële zaken en huisvesting wordt begeleid door Stichting MEE, brengt verder op zichzelf niet mee dat appellant buiten staat was om gehoor te geven aan de uitnodiging voor het gesprek van 1 november 2016. Geen grond bestaat dan ook voor de conclusie dat elke vorm van verwijtbaarheid bij appellant ontbrak.

4.6.

Appellant heeft verder aangevoerd dat dringende redenen aanwezig waren als bedoeld in artikel 18, tiende lid, van de PW op grond waarvan de maatregel moest worden gematigd. Appellant heeft in dit verband gewezen op zijn persoonlijke en financiële omstandigheden. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

4.6.1.

Uit vaste rechtspraak (uitspraak van 12 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3672) volgt, dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 18, tiende lid, van de PW is af te leiden, dat de invulling van het begrip dringende reden gelet op bijzondere omstandigheden niet beperkt is tot de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een maatregel heeft voor de betrokkene gelet op diens persoonlijke omstandigheden, maar dat deze invulling ruimer is en mede een beoordeling van de omstandigheden, de mogelijkheden en middelen van de betrokkene of het gezin omvat. Het college heeft beoordelingsvrijheid ten aanzien van de vraag of, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen om de maatregel af te stemmen zich voordoen.

4.6.2.

In het kader van die beoordeling heeft het college in de begeleiding die appellant van Stichting MEE ontvangt voor het regelen van zijn persoonlijke en financiële zaken en huisvesting geen dringende redenen gezien om te komen tot een matiging van de maatregel. Verder heeft het college ter zitting onweersproken gesteld, dat onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om inzicht te krijgen in de financiële omstandigheden van appellant. Daarom zijn in de visie van het college in die omstandigheden evenmin dringende redenen gelegen om de maatregel af te stemmen.

4.6.3.

Het college is bij zijn beoordeling de grenzen van een redelijke uitleg van het begrip dringende redenen, gelet op bijzondere omstandigheden, niet te buiten gegaan.

5. Uit 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep slaagt. Daarin bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- in beroep en op € 1.050,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 10,92 aan reiskosten in beroep en op € 29,20 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 2.140,12.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 26 januari 2017 voor zover de duur van de verlaging van de bijstand is vastgesteld op twee maanden;

  • -

    stelt de duur van de verlaging van de bijstand vast op één maand en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 26 januari 2017;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.140,12;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en G.M.G. Hink en

E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van L. Hagendijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2020.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) L. Hagendijk