Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:604

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
16-03-2020
Zaaknummer
18/2099 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herzien, terugvorderen en boete in verband met niet gemelde samenwoning. Verjaringstermijn niet verstreken. Boete is evenredig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2020/73
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2099 PW, 19/4144 PW, 19/4145 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 10 maart 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 maart 2018, 17/199 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

dagelijks bestuur van ISD Brunssum Onderbanken Landgraaf (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 15 maart 2005 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Hij staat vanaf 2 juli 1990 in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (thans: Basisregistratie personen ingeschreven op het adres X (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding van 22 november 2015 dat appellant samenwoont met X hebben toezichthouders van het dagelijks bestuur een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Daarbij is dossieronderzoek verricht, zijn registers geraadpleegd, gegevens opgevraagd, waarnemingen verricht in de omgeving van het uitkeringsadres en het adres waarop Y staat ingeschreven, hebben huisbezoeken plaatsgevonden op het uitkeringsadres, is appellant op 29 april 2016 verhoord en heeft een gesprek met appellant en Y plaatsgevonden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een Rapport Rechtmatigheidsonderzoek (rapport) van 19 september 2016.

1.3.

De bevindingen van het onderzoek zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 22 juni 2016 de bijstand van appellant over de periode van 29 april 2009 tot 29 april 2016 in te trekken.

1.4.

Bij besluit van 7 december 2016 (bestreden besluit 1) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 22 juni 2016 gegrond verklaard en de bijstand over de periode van 29 april 2009 tot 29 april 2016 herzien naar de norm voor gehuwden. Daarbij heeft het dagelijks bestuur de inkomsten van Y in mindering gebracht. Hieraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden doordat hij niet heeft gemeld dat hij vanaf 29 april 2009 een gezamenlijke huishouding met Y heeft gevoerd op het uitkeringsadres.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

3.1.

Bij besluit van 21 januari 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 augustus 2019 (bestreden besluit 2), heeft het dagelijks bestuur de over de periode van 29 april 2009 tot 29 april 2016 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 21.709,27 van appellant teruggevorderd.

3.2.

Bij besluit van 4 februari 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 augustus 2019 (bestreden besluit 3), heeft het dagelijks bestuur appellant een boete opgelegd van € 1.054,80. Tegen de besluiten van 19 augustus 2019 heeft appellant beroep ingesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De bestreden besluiten 2 en 3 worden met toestemming van partijen mede in de beoordeling betrokken.

Intrekking en terugvordering

4.2.

Tussen partijen is niet langer in geschil dat appellant vanaf 29 april 2009 een gezamenlijke huishouding met Y heeft gevoerd op het uitkeringsadres en dat hij hiervan geen melding heeft gemaakt bij het dagelijks bestuur als gevolg waarvan hij de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Gelet hierop was het dagelijks bestuur op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de PW gehouden om de bijstand van 29 april 2009 tot 29 april 2016 te herzien. Het dagelijks bestuur was tevens op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW gehouden om de over die periode tot een te hoog bedrag verleende bijstand van appellant terug te vorderen.

4.3.

Onder verwijzing naar de zogeheten zesmaandenjurisprudentie heeft appellant aangevoerd dat het dagelijks bestuur in zijn geval uit oogpunt van zorgvuldigheid niet meer ten volle tot herziening en terugvordering mocht overgaan. Het dagelijks bestuur heeft al vanaf 18 maart 2008 een groot aantal gedetailleerde signalen ontvangen dat appellant samenwoonde. Het onderzoek heeft in totaal acht jaar geduurd en het dagelijks bestuur heeft daarbij tussentijds langdurig stil gezeten. Hierdoor heeft het dagelijks bestuur zijn wettelijke taak verzaakt en mag dit niet zonder gevolgen blijven.

4.4.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het dagelijks bestuur met analoge toepassing van de zesmaandenjurisprudentie geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien. Deze grond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:952) geldt de zesmaandenjurisprudentie alleen bij een bevoegdheid tot terugvordering en niet bij een verplichte terugvordering. Omdat in dit geval een verplichte terugvordering aan de orde is, treft het beroep op de zesmaandenjurisprudentie alleen al om die reden geen doel. Voor aan analoge toepassing van de zesmaandenjurisprudentie ziet de Raad geen aanknopingspunten.

4.5.

Appellant heeft verder aangevoerd dat de terugvordering van het college gedeeltelijk is verjaard. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.5.1.

In de PW is niet geregeld binnen welke termijn een besluit tot terugvordering van onverschuldigd betaalde bijstand moet worden genomen. Daarom moet voor de verjaringstermijn voor het nemen van een dergelijk besluit aansluiting worden gezocht bij het Burgerlijk Wetboek (BW) (vergelijk de uitspraak van 31 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2385). Op grond van artikel 3:309 van het BW verjaart de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel van het bestaan van zijn vordering, als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. Aansluiting zoekend bij dit artikel vangt de verjaringstermijn voor het nemen van een besluit tot terugvordering van bijstand aan op het moment dat het dagelijks bestuur bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit tot terugvordering in de rede ligt. Doordat appellant op 29 april 2016 heeft verklaard dat Y al vanaf 2007 of 2008 bij hem woont is dat het moment dat de verjaringstermijn aanvangt. Hierdoor was de verjaringstermijn ten tijde van het nemen van het bestreden besluit 1 nog niet verstreken.

Boete

4.6.

Uit 4.2 volgt dat het dagelijks bestuur ook heeft aangetoond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door er bij het dagelijks bestuur geen melding van te maken dat hij een gezamenlijke huishouding voert met Y. Appellant kan van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een verwijt worden gemaakt. Het dagelijks bestuur is daarom in beginsel gehouden met toepassing van artikel 18a van de PW een boete op te leggen.

4.7.

De beroepsgrond dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid slaagt niet. Het dagelijks bestuur heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van normale verwijtbaarheid, zodat in dit geval in beginsel een boete van 50% van het benadelingsbedrag is aangewezen. Het dagelijks bestuur heeft daarbij, gelet op vaste rechtspraak, voldoende rekening gehouden met de financiële omstandigheden van appellant en de hoogte van de boete vervolgens gematigd met 40% omdat tussen het opstellen van het boeterapport en het boetebesluit geruime tijd was verstreken. Niet is gebleken van omstandigheden om de boete verder te matigen. De vastgestelde boete van € 1.054,80 is evenredig.

4.8.

Uit 4.2, 4.4 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De beroepen tegen de bestreden besluiten van 19 augustus 2019 worden ongegrond verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten van 19 augustus 2019 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van Y. Itkal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2020.

(getekend) A.B.J. van der Ham

De griffier is verhinderd te ondertekenen.