Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:585

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
09-03-2020
Zaaknummer
17/7994 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een Wajong-uitkering als appellante buiten Nederland woont. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv voldoende gemotiveerd toegelicht dat het niet noodzakelijk is dat appellante in Turkije medisch wordt behandeld. Niet is gebleken dat de verhuizing van de ouders van eiseres noodzakelijk is als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder c, van het Besluit beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland. De wens van de ouders van eiseres om in Turkije te gaan wonen teneinde te proberen de (medische) situatie van eiseres (en haar broertje) te verbeteren, is niet onbegrijpelijk, maar is in overwegende mate gebaseerd op de eigen keuze van de ouders, zonder dat van een objectieve en dwingende noodzaak is gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7994 WAJONG

Datum uitspraak: 4 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

10 november 2017, 17/1645 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te Turkije (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Akkaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2020. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft vanaf 10 juni 2006 een uitkering ontvangen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).

1.2.

Appellante heeft het Uwv bij brief van 11 november 2016 gevraagd of zij haar

Wajong-uitkering mee kan nemen bij emigratie naar Turkije. Appellante heeft toegelicht dat zij voor een medische behandeling naar Turkije dient te gaan en dat ook haar ouders, van wiens zorg zij afhankelijk is, het voornemen hebben om naar Turkije te emigreren.

1.3.

Bij besluit van 1 maart 2017 heeft het Uwv te kennen gegeven dat betrokkene geen recht heeft op een Wajong-uitkering als zij buiten Nederland woont. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 10 mei 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan ligt het standpunt van het Uwv ten grondslag dat in de Wajong is bepaald dat het recht op uitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen en dat in het geval van appellante geen sprake is van zodanige omstandigheden dat het buiten toepassing laten van dit beëindigingsartikel of het daarvan afwijken leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, zoals bedoeld in artikel 2 van het Besluit beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland van 29 april 2003 (Stcrt. 2003, nr. 84, blz. 17, hierna: Besluit). Het Uwv is niet gebleken van een dwingende noodzaak om naar Turkije te gaan voor het volgen van een medische behandeling of van een noodzaak van de ouders van appellante om naar Turkije toe te gaan. Er is derhalve geen reden voor toepassing van de zogenoemde hardheidsclausule. Verder is niet gebleken dat appellante als gevolg van het beëindigen van de uitkering aanmerkelijk nadeel zal ondervinden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat geschil van partijen zich toespitst op de vraag of de door appellante aangevoerde omstandigheden kunnen worden aangemerkt als zwaarwegende redenen in de zin van artikel 2, aanhef en onder a of c, van het Besluit. De rechtbank heeft geoordeeld dat die omstandigheden geen grondslag vormen voor toepassing van de hardheidsclausule. Daartoe heeft de rechtbank in rechtsoverweging 9 van de aangevallen uitspraak overwogen:

“Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder (CRvB: het Uwv) voldoende gemotiveerd toegelicht dat het niet noodzakelijk is dat eiseres (CRvB: appellante) in Turkije medisch wordt behandeld. Partijen zijn het erover eens dat de verstandelijke beperking van eiseres onbehandelbaar is. Eiseres heeft haar stelling dat de er desondanks wel een medische indicatie bestaat voor een behandeling in Turkije, niet onderbouwd met medische informatie. Er is daarom geen zwaarwegende reden als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a van het Besluit. Voorts volgt de rechtbank verweerder in zijn conclusie dat niet is gebleken dat de verhuizing van de ouders van eiseres noodzakelijk is als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder c, van het Besluit. De wens van de ouders van eiseres om in Turkije te gaan wonen teneinde te proberen de (medische) situatie van eiseres (en haar broertje) te verbeteren, is niet onbegrijpelijk, maar is in overwegende mate gebaseerd op de eigen keuze van de ouders, zonder dat van een objectieve en dwingende noodzaak is gebleken.”

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep opnieuw gesteld dat zij door de verhuizing van haar ouders naar Turkije genoodzaakt zal zijn om met hen mee te gaan. Zij heeft naar voren gebracht dat zij volledig afhankelijk is van de zorg van haar ouders en dat haar ouders zich vanwege de beperkingen van hun kinderen genoodzaakt zien om in Turkije te proberen de situatie van hun kinderen te verbeteren.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. Er wordt geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan wat de rechtbank heeft gegeven. De Raad onderschrijft wat de rechtbank in overweging 9 van de aangevallen uitspraak aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd. Dat betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van L.E. König als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2020.

(getekend) M. Greebe

(getekend) L.E. König