Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:583

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-03-2020
Datum publicatie
06-03-2020
Zaaknummer
18/2639 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering. Er is geen aanleiding om te oordelen dat het Uwv de belastbaarheid van appellant onjuist heeft ingeschat. De verzekeringsarts heeft de ernst van de cardiale klachten van appellant nadrukkelijk onderkend en appellant ‘marginaal belastbaar’ genoemd. Hij heeft dat in de FML tot uiting gebracht door in alle rubrieken aanzienlijke beperkingen aan te nemen. De aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies zijn in medisch opzicht voor appellant geschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2639 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 13 april 2018, 17/2266 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

J [appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 5 maart 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.E. van Berlo, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.C.J. Houben, kantoorgenoot van mr. Van Berlo. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als keukenmonteur voor 39,85 uur per week. Na het faillissement van zijn werkgever is appellant met ingang van 1 mei 2012 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Appellant heeft zich, vanuit de WW, ziek gemeld na een hartinfarct op 27 augustus 2012. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Op basis van dit onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 4 juli 2014 beslist dat appellant met ingang van 25 augustus 2014 geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij beslissing op bezwaar van 9 december 2014 ongegrond verklaard.

1.2.

Op 3 februari 2015 heeft appellant zich opnieuw ziekgemeld vanwege een toename van zijn hartklachten. In verband met deze melding is appellant door een verzekeringsarts onderzocht en is hij, nadat de WW-uitkering nog dertien weken was doorbetaald, met ingang van 5 mei 2015 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet.

1.3.

Appellant heeft op 6 december 2016 een nieuwe aanvraag voor een WIA-uitkering gedaan. In het kader van deze aanvraag heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 januari 2017. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 9 februari 2017 heeft het Uwv appellant (alsnog) met ingang van 3 februari 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, omdat hij met ingang van die datum 62,32% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 7 juli 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig geacht en geen aanleiding gezien om te oordelen dat het Uwv de belastbaarheid van appellant per de datum hier in geding, 3 februari 2015, onjuist heeft ingeschat. Hierbij heeft de rechtbank opgemerkt dat een eventuele verslechtering van de gezondheid van appellant na deze datum geen rol speelt bij de huidige beoordeling. Uitgaande van de juistheid van de bij appellant vastgestelde medische beperkingen, heeft de rechtbank geen grond gezien voor het oordeel dat de geselecteerde functies voor appellant niet geschikt zouden zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de zogeheten signaleringen van een afdoende adequate toelichting voorzien.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest. Volgens appellant heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de door hem ingebrachte medische informatie te eenvoudig gepasseerd, is het onderzoek te summier geweest en was er alle aanleiding voor aanvullend onderzoek. Als gevolg hiervan heeft het Uwv de (objectiveerbare) medische beperkingen van appellant onderschat. Appellant heeft erop gewezen dat uit informatie van zijn behandelaars blijkt dat hij slechts zeer beperkt belastbaar is en dat hij na iedere inspanning rust moet nemen om te herstellen. Ter nadere onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een brief van zijn behandeld cardioloog De Ridder van 20 juni 2018 overgelegd waarin wordt bevestigd dat er sprake is van een progressie van de klachten en een afname van de inspanningstolerantie en dus geen sprake is van een stabiele situatie. Appellant heeft de Raad verzocht om een deskundige te benoemen omdat er onvoldoende duidelijkheid bestaat over zijn medische gesteldheid.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA (tekst tot 16 december 2017) bepaalt dat indien op de eerste dag na afloop van de wachttijd geen recht op een WGA-uitkering is ontstaan omdat de verzekerde op die dag niet gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, alsnog recht op die uitkering ontstaat met ingang van de dag dat de verzekerde wel (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt wordt, indien hij op de dag hieraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Op grond van het derde lid van dit artikel kan dit recht niet later ingaan dan vijf jaar na de eerste dag na afloop van de wachttijd.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat bij appellant met ingang van 3 februari 2015 sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na 25 augustus 2014 in de zin van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA. In geschil is de vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 3 februari 2015 heeft vastgesteld op 62,32%.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding was voor aanvullend onderzoek wordt onderschreven. Uit het rapport van de verzekeringsarts van 26 januari 2017 blijkt dat geen sprake is geweest van een summier onderzoek. De verzekeringsarts heeft dossierstudie verricht en appellant lichamelijk en psychisch onderzocht. Ook heeft de verzekeringsarts een dagverhaal opgetekend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eveneens dossierstudie verricht en de door appellant in bezwaar overgelegde medische informatie van zijn behandelaars kenbaar meegewogen bij zijn beoordeling. Uit de rapportages van de verzekeringsartsen blijkt dat zij een goed beeld hadden van de medische situatie van appellant op de datum in geding. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat, anders dan appellant ter zitting heeft gesteld, de verzekeringsarts er, blijkens zijn rapportage van 26 januari 2017, mee bekend was dat bij appellant niet alleen sprake was van een ernstig progressief macrovasculair coronair lijden maar ook van een microvasculair coronair lijden.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank dat er geen aanleiding is om te oordelen dat het Uwv de belastbaarheid van appellant per de datum hier in geding, 3 februari 2015, onjuist heeft ingeschat, wordt eveneens onderschreven. De verzekeringsarts heeft de ernst van de cardiale klachten van appellant nadrukkelijk onderkend en appellant ‘marginaal belastbaar’ genoemd. Hij heeft dat in de FML tot uiting gebracht door in alle rubrieken aanzienlijke beperkingen aan te nemen. Daarbij is ook rekening gehouden met de vermoeidheidsklachten van appellant door in de FML een urenbeperking van gemiddeld 4 uur per dag en 20 uur per week op te nemen. De verzekeringsarts heeft zich daarbij onder meer gebaseerd op de brief van behandelend cardioloog De Ridder van 21 mei 2015 waarin de resultaten van een inspanningsonderzoek (VO2-maxfietstest) van 21 april 2015 zijn vermeld en waaruit blijkt dat bij appellant toen sprake was van een redelijke inspanningstolerantie met een cardiale beperking (slagvolume). Ook uit de door appellant in bezwaar ingebrachte informatie, met name de brief van de behandelend cardiologen Elias-Smale en De Ridder van 30 juni 2016, blijkt dat appellant op dat moment nog wel bepaalde activiteiten, zoals fietsen, kon verrichten. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in dit geding geen rekening kan worden gehouden met een eventuele verslechtering van de gezondheid van appellant na de hier in geding zijnde datum. Daarom leidt de door appellant in hoger beroep overgelegde brief van cardioloog De Ridder van 20 juni 2018, waarin melding wordt gemaakt van een progressie van klachten en een afname van inspanningstolerantie, niet tot een ander oordeel. Nu er geen twijfel bestaat over de juistheid van de door het Uwv aangenomen medische beperkingen per 3 februari 2015 bestaat er geen aanleiding voor benoeming van een deskundige.

4.5.

Uitgaande van de juistheid van de medische beperkingen zoals verwoord in de FML van 28 januari 2017, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van E.D. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2020.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) E.D. de Jong