Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:581

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-03-2020
Datum publicatie
11-03-2020
Zaaknummer
18/1209 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

CBBS. Equality of arms. Enquêteformulieren. Reductiefactor. Urenomvang functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/159
RSV 2020/102
USZ 2020/146 met annotatie van Bogaard, E. van den
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1209 WIA

Datum uitspraak: 5 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2018, 17/2778 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te Turkije (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C. Walker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2020. Namens appellant is mr. Walker verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als operator voor gemiddeld 37,93 uur per week. Op 5 oktober 2009 heeft hij zich ziek gemeld met spierpijnklachten, slaapproblemen en psychische klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 3 oktober 2011 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellant met ingang van 3 augustus 2012 een
WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%.

1.2.

Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 23 oktober 2012 de WGA-loonaanvullingsuitkering van appellant omgezet in een
WGA-vervolguitkering naar de klasse 35 tot 45%. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 39,73%.

1.3.

In het kader van een herbeoordeling heeft psychiater A. Korzec op verzoek van een verzekeringsarts een expertise verricht en daarvan op 22 december 2016 verslag uitgebracht. Appellant heeft het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts. Mede op basis van de psychiatrische expertise heeft de verzekeringsarts een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld van 28 december 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Het Uwv heeft bij besluit van 30 december 2016 de WGA-vervolguitkering van appellant met ingang van 10 februari 2017 beëindigd, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 30 maart 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard, waarbij het Uwv de beëindigingsdatum heeft verschoven naar 1 maart 2017. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 24 maart 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 28 maart 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de door het Uwv gemaakte notitie van het afzien van een hoorzitting wordt geacht op waarheid te berusten, waaruit volgens de rechtbank moet worden geconcludeerd dat appellant heeft afgezien van het recht om te worden gehoord. De rechtbank heeft voorts geconcludeerd dat de besluitvorming voldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden, aan welke conclusie met name het uitgebreide expertiseonderzoek heeft bijgedragen. Appellant heeft geen medische documenten overgelegd die doen twijfelen aan de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Nu er geen reden is om de FML onjuist te achten, zijn er volgens de rechtbank ook geen aanwijzingen voor een overschrijding van de belastbaarheid van appellant in de geselecteerde functies. Voorts heeft appellant niet concreet benoemd op welke aspecten in de geselecteerde functies zich dusdanige problemen voordoen dat gebruikmaking van het CBBS in dit specifieke geval niet kan worden gevergd. Daarmee hebben de gronden van appellant geen aanleiding gegeven om te twijfelen aan de reguliere toepassing van de systematiek voor het selecteren van functies. Tot slot heeft de rechtbank geconcludeerd dat de door het Uwv gehanteerde methode voor het toepassen van de reductiefactor in lijn is met de Beleidsregel uurloonschatting 2008, het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) en de bestaande rechtspraak op dat punt.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn in eerste aanleg aangevoerde gronden herhaald. Zo heeft appellant betwist dat enkel op grond van de notitie van een medewerker van het Uwv kan worden vastgesteld dat hij heeft afgezien van het recht op een hoorzitting. Voorts heeft appellant betoogd dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn medische beperkingen. Appellant heeft verder gesteld dat hij er belang bij heeft te kunnen beoordelen of het resultaat functiebeoordeling van de voor hem geselecteerde functies overeenstemt met de feitelijke inhoud van die functies, zodat hij dient te beschikken over de enquêteformulieren van de voor hem geselecteerde functies en over informatie over de wijze waarop de functiebelasting van de geselecteerde functies is vastgesteld. Volgens appellant heeft de rechtbank bij de beoordeling van zijn verzoek om de enquêteformulieren over te leggen ten onrechte verwezen naar oudere rechtspraak van de Raad. Appellant heeft gesteld dat deze rechtspraak niet meer kan standhouden, omdat op die manier het CBBS-systeem niet controleerbaar is. Tot slot heeft appellant betoogd dat er in de wet geen grondslag is te vinden voor het door het Uwv gevoerde, in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregel uurloonschatting 2008 opgenomen beleid dat de urenomvang per SBC-code gesteld wordt op de functie met de grootste urenomvang.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, de belanghebbende in de gelegenheid om te worden gehoord. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb kan van het horen worden afgezien indien de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord.

4.1.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 10 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3555) is het recht van een belanghebbende om te worden gehoord een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure en kan slechts van het horen worden afgezien indien er geen twijfel over bestaat dat daarvoor toestemming is gegeven. De bewijslast dat toestemming is gegeven ligt bij het bestuursorgaan.

4.1.3.

Volgens een notitie van het telefoongesprek op 21 februari 2017 heeft appellant desgevraagd een medewerker van het Uwv te kennen gegeven dat een hoorzitting niet nodig was. Appellant betwist dat hij in dat telefoongesprek die mededeling heeft gedaan. In de notitie staat ook dat appellant heeft gevraagd of de procedure van bezwaar via de mail kon worden toegelicht. Bij zo een verzoek is het op voorhand afzien van een hoorzitting niet direct een voor de hand liggende stap. Het Uwv heeft vervolgens op 23 februari 2017 een
e-mail verstuurd aan een achteraf gebleken onjuist mailadres, met een toelichting over de bezwaarprocedure en zonder daarin te bevestigen dat appellant tijdens het telefoongesprek van 21 februari 2017 had afgezien van een hoorzitting. Na ontvangst van het bestreden besluit, waarin is vermeld dat appellant geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om zijn bezwaren tijdens een hoorzitting toe te lichten, heeft appellant dit laatste in zijn beroepschrift direct betwist. Onder deze omstandigheden kan niet als vaststaand worden aangenomen dat appellant afstand heeft gedaan van zijn recht om te worden gehoord. Er is daarom niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb, waarin is bepaald dat van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien deze heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord. Het bestreden besluit is in strijd met die bepaling genomen.

4.2.

In geschil is verder de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA met ingang van 1 maart 2017 terecht heeft vastgesteld op minder dan 35% en de WGA-vervolguitkering van appellant terecht heeft beëindigd.

4.3.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn medische beperkingen, zonder die grond te onderbouwen met medische informatie. De rechtbank heeft deze grond in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd, worden onderschreven zodat wordt volstaan met een verwijzing daarnaar.

4.4.

De stelling van appellant dat het CBBS-systeem oncontroleerbaar is, slaagt niet. Daartoe wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 15 mei 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:1737). Daarin heeft de Raad geoordeeld dat betrokkenen bij gebruikmaking van het CBBS-systeem voldoende in gelegenheid zijn de arbeidskundige grondslag van de besluitvorming van het Uwv aan te vechten en dat om die reden van strijd met het vereiste van equality of arms geen sprake is. Er wordt geen aanleiding gezien om naar aanleiding van wat appellant heeft aangevoerd daarover nu anders te oordelen. Ook zonder dat appellant de beschikking heeft over de enquêteformulieren van de voor hem geselecteerde functies of over informatie over de manier waarop de functiebelasting van de geselecteerde functies is vastgesteld, heeft appellant de mogelijkheid om de juistheid van de aan het CBBS ontleende gegevens van feitelijke aard te bestrijden. Zoals het Uwv heeft toegelicht, zijn de enquêteformulieren immers te beschouwen als niet meer dan interne notities, waarvan de inhoud in beginsel zijn weerslag vindt in het CBBS. In dit kader heeft appellant volstaan met het benoemen van enkele algemene punten. Deze zijn niet voldoende om twijfel te zaaien aan de in het CBBS opgenomen feitelijke gegevens.

4.5.

De stelling van appellant dat in de wet geen grondslag is te vinden voor het door het Uwv gevoerde, in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregel uurloonschatting 2008 neergelegde, beleid dat de urenomvang per SBC-code gesteld wordt op de functie met de grootste urenomvang van de binnen de SBC-code geselecteerde functies, wordt niet gevolgd. De rechtbank heeft met juistheid verwezen naar vaste rechtspraak van de Raad waarin is opgenomen dat in wet-, regelgeving of rechtspraak geen steun kan worden gevonden voor het standpunt dat bij de bepaling van de reductiefactor binnen een FB-code (nu: SBC-code) zou dienen te worden uitgegaan van de functie met de geringste urenomvang (zie bijvoorbeeld CRvB 26 oktober 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AR5700). Ook heeft de rechtbank terecht verwezen naar vaste rechtspraak van de Raad waarin is geoordeeld dat artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van het (tot 2 maart 2007 geldende) Besluit beleidsregels uurloonschatting 2004, waarin is bepaald dat de urenomvang van de aan de schatting ten grondslag gelegde arbeid per SBC-code wordt gesteld op de grootste urenomvang van de binnen de SBC-code geselecteerde functies, niet in strijd is met het Schattingsbesluit (zie bijvoorbeeld CRvB 8 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BQ0772). In een uitspraak van 28 februari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:673) heeft de Raad datzelfde geoordeeld ten aanzien van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a van de (sinds 2 maart 2007 geldende) Beleidsregel uurloonschatting 2008. Ter zitting van de Raad heeft het Uwv er in dit kader terecht op gewezen de keuze om de urenomvang per SBC-code te stellen op de functie met de grootste urenomvang is terug te vinden in de nota van toelichting bij het Besluit van 18 augustus 2004 tot wijziging van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Staatsblad 2004, 434), en ook reeds was neergelegd in het (wat betreft de uurloonvergelijking tot 1 oktober 2004 geldende) Besluit uurloonschatting 1999. Nu bij de aan appellant voorgehouden functie administratief medewerker (document scannen) (SBC-code 315133) sprake is van één functie met een urenomvang van 36 uur per week, heeft het Uwv de urenomvang van deze SBC-code terecht op 36 uur gesteld.

4.6.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

4.7.

Het in 4.1 vastgestelde gebrek aan het bestreden besluit zal met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, aangezien aannemelijk is dat de belanghebbende daardoor niet is benadeeld. Appellant heeft in beroep en hoger beroep immers alsnog gelegenheid gehad om zijn standpunt mondeling te verwoorden.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van gronden, omdat de rechtbank het in 4.1 vastgestelde gebrek niet heeft onderkend.

4.9.

Het Uwv dient te worden veroordeeld tot vergoeding van de door appellant gemaakte kosten van rechtsbijstand in beroep (beroepschrift en verschijnen ter zitting) en hoger beroep (hoger beroepschrift en verschijnen ter zitting), resulterend in een vergoeding van € 2.100,- (4 punten ten bedrage van € 525,-).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.100,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en T. Dompeling en W.R. van der Velde als leden, in tegenwoordigheid van H.S. Huisman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2020.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) H.S. Huisman