Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:578

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-03-2020
Datum publicatie
09-03-2020
Zaaknummer
17/7829 Wajong
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om uitkering op grond van de Wajong. Juiste conclusies van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen dat bij appellant op zijn achttiende jaar sprake was van arbeidsvermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/7829 Wajong

Datum uitspraak: 5 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 31 oktober 2017, 16/5641 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.D.B. Groeneweg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Groeneweg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1988, heeft met een door het Uwv op 13 april 2016 ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat hij vanwege psychoses niet in staat is arbeid te verrichten. Appellant heeft na zijn aanvraag een psychiatrisch rapport van het Universitair Medisch Centrum Utrecht van 22 februari 2016 en een brief van Victas, Centrum voor verslavingszorg van 18 november 2015 overgelegd. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 1 september 2016 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen omdat appellant arbeidsvermogen heeft.

1.2.

Bij besluit van 18 november 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 1 september 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de door appellant bedoelde stukken over de toekenning van de gehandicaptenstatus betrokken hadden moeten worden in de beoordeling. De rechtbank heeft dit gebrek gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 9 november 2016 heeft toegelicht dat bij appellant op achttien jarige leeftijd al sprake was van moeilijk leren en dat dit de reden was voor het toekennen van de arbeidsgehandicaptenstatus. De ernstige psychische klachten en agressie en ook de perioden van psychose als gevolg van alcohol- en drugsmisbruik zijn allen van na zijn achttiende jaar. Appellant ondervindt beperkingen maar is daarmee volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep in staat ten minste een uur aaneengesloten en vier uur per dag te werken. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep komt in het rapport van 18 november 2016 tot de conclusie dat appellant over basale werknemersvaardigheden beschikt en een taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie. De rechtbank heeft verder overwogen dat de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen bezwaar en beroep hebben vastgesteld dat appellant begeleiding nodig heeft in het werk en dat daar ook rekening mee is gehouden in de beoordeling. Verder blijkt uit het nadere rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 23 mei 2017 dat ook rekening is gehouden met de omstandigheid dat appellant niet in staat is meerdere opdrachten tegelijk te onthouden en uit te voeren, reden waarom hij in zijn eerdere rapport heeft gesteld dat de opdrachten in kleinere stukken moeten worden aangeboden.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv ten onrechte heeft nagelaten stukken, waaronder ziekmeldingen van appellant, in de procedure in te brengen waardoor de rechtbank niet beschikte over het volledige dossier. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat hij rond zijn achttiende jaar wisselend belastbaar was en dat ook het persoonlijk en sociaal functioneren inadequaat was.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die:

a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;

b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.

4.1.2.

Op grond van het tweede lid wordt de ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.

4.2.

De rechtbank heeft uitgebreid gemotiveerd waarom sprake is geweest van een zorgvuldig onderzoek door het Uwv en waarom er geen aanleiding is te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen dat bij appellant op zijn achttiende jaar sprake was van arbeidsvermogen. Dit oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende motivering wordt volledig onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat appellant zijn stelling, dat hij op zijn achttiende jaar ook al beperkingen ondervond als gevolg van een verslaving aan alcohol en drugs, niet met stukken heeft onderbouwd. De stageverslagen van het praktijkonderwijs uit de periode tot het achttiende jaar van appellant bieden voor deze stelling evenmin steun. Voorts ligt de bewijslast en dus ook het bewijsrisico in het geval van een laattijdige aanvraag zoals hier aan de orde volgens vaste rechtspraak (onder meer de uitspraken van de Raad van 24 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO9240 en 27 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6477) bij de aanvrager. Het is dus aan appellant om zijn standpunt met stukken te onderbouwen.

4.3.

Bij een laattijdige aanvraag zoals hier aan de orde dient, naast een beoordeling aan de hand van de criteria van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong tevens beoordeeld te worden of appellant op grond van het tweede lid van dat artikel alsnog als jonggehandicapte kan worden aangemerkt omdat hij op enig moment binnen vijf jaar na zijn achttiende verjaardag alsnog jonggehandicapte is geworden. Zie ook de uitspraak van de Raad van 27 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:680), over een vergelijkbare beoordeling van aanspraken op grond van artikel 2:3, tweede lid, van de Wajong. In hoger beroep heeft het Uwv deze beoordeling desgevraagd alsnog verricht.

4.4.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 5 februari 2020 geconcludeerd dat appellant in de periode van vijf jaar na zijn achttiende jaar niet alsnog als jonggehandicapte kan worden aangemerkt. Hij heeft uiteengezet dat bij appellant op zijn achttiende jaar sprake was van een lichte achterstand in de mentale ontwikkeling in verband waarmee in 2006 een jobcoachvoorziening is toegekend. De ernstige psychische klachten in de zin van psychoses en verslaving heeft appellant pas later ontwikkeld. In 2012 is appellant hiervoor opgenomen in een instelling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overtuigend gemotiveerd dat de later ontstane psychische problematiek een andere oorzaak heeft dan de problematiek waarmee appellant op zijn achttiende jaar werd geconfronteerd. Het Uwv wordt daarom gevolgd in zijn in hoger beroep ingenomen standpunt dat er geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong.

4.5.

Dat sprake is geweest van ziekmeldingen in de periode van vijf jaar na het achttiende jaar van appellant, en dat deze stukken door het Uwv niet in geding zijn gebracht, doet aan het vorenstaande niet af. Appellant had ervoor kunnen kiezen die stukken, nu het Uwv die aan hem heeft toegestuurd, zelf in geding te brengen.

4.6.

Het Uwv heeft eerst in hoger beroep beoordeeld of appellant binnen vijf jaar na zijn achttiende verjaardag alsnog jonggehandicapte is geworden. Daarmee staat vast dat het bestreden besluit niet zorgvuldig was voorbereid en niet van een deugdelijke motivering was voorzien. Deze schending van de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt gepasseerd met toepassing van artikel 6:22, omdat aannemelijk is dat belanghebbenden door deze schending niet zijn benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet had voorgedaan, zou een besluit met een gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd met verbetering van gronden.

5. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- in beroep en € 1.050,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.100,-.

6. Tevens bestaat er aanleiding te bepalen dat het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht aan appellant vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.100,-;

- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers in tegenwoordigheid van F.E.M. Boon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2020.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) F.E.M. Boon