Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:574

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
09-03-2020
Zaaknummer
17/6702 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De arbeidsdeskundigen hebben door middel van een motivering op de resultaat functiebeoordeling en de rapporten van 28 november 2016 en 2 september 2019 voldoende inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat appellant in staat is tot het verrichten van de aan de functies verbonden werkzaamheden. In het rapport van 2 september 2019 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de functie van machinebediende inpak-/verpakkingsmachine alsnog laten vervallen waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid is gewijzigd van 40,58% naar 64,35%. De Raad zal het besluit van 4 december 2015 herroepen voor zover daarin is bepaald dat arbeidsongeschiktheid 40,58% bedraagt en de mate van arbeidsongeschiktheid per 8 december 2015 vaststellen op 64,35%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6702 WIA

Datum uitspraak: 4 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

12 september 2017, 17/71 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.L.J.A. Spiertz, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Spiertz. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is op 11 december 2012 door een bedrijfsongeval uitgevallen voor zijn werkzaamheden als productiemedewerker via een uitzendbureau die hij 48,23 uur per week verrichtte.

1.2.

In verband met zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellant op 5 november 2015 onderzocht op het spreekuur van een verzekeringsarts van het Uwv. Deze arts heeft in een rapport van 10 november 2015 vermeld dat voor appellant enkele beperkingen gelden ten aanzien van het verrichten van loonvormende arbeid. De beperkingen zijn opgenomen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De verzekeringsarts heeft hierbij onvoldoende argumenten aanwezig geacht om een arbeidsduurbeperking aan te nemen. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens in een rapport van 3 december 2015, aan de hand van wat appellant kan verdienen in geselecteerde voorbeeldfuncties in vergelijking met het maatmanloon, berekend dat appellant 40,58% arbeidsongeschikt is.

1.3.

Het Uwv heeft appellant bij besluit van 4 december 2015 met ingang van 8 december 2015 een loongerelateerde WIA-uitkering toegekend die loopt tot en met 7 februari 2019. De uitkering is gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 40,58%.

1.4.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Hangende het bezwaar heeft hij rapporten van psychiater J.L.M. Schoutrop van 11 oktober 2016 en orthopedisch chirurg A.M.E. Giesberts van 17 december 2015 ingebracht die zijn opgesteld in het kader van de letstelschadezaak naar aanleiding van het bedrijfsongeval.

1.5.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellant heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep in een op basis van dossierstudie en het bijwonen van de hoorzitting gebaseerd rapport van 22 november 2016 vermeld dat de primaire verzekeringsarts terecht een FML heeft opgesteld, omdat appellant niet voldoet aan de criteria op grond waarvan volledige arbeidsongeschiktheid kan worden aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML aangepast, onder meer door een aanvullende beperking op conflicthantering aan te nemen, en verder te kennen gegeven dat met de in de FML aangenomen beperkingen wordt tegemoetgekomen aan de rapporten van psychiater Schoutrop en orthopedisch chirurg Giesberts.

1.6.

Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in een rapport van 28 november 2016 te kennen gegeven dat twee functies vervallen omdat deze functies niet geschikt zijn. Op basis van de resterende voorbeeldfuncties en een nieuw geselecteerde functie blijft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant 40,58%.

1.7.

Bij besluit van 30 november 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 december 2015, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust en dat appellant in staat is te achten om de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde voorbeeldfuncties te verrichten.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij volledig arbeidsongeschikt is door zijn psychische klachten, vermoeidheidsklachten en door de fysieke beperkingen aan zijn schouder, rug, heup en knie. Hij heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar een aanvullend rapport van psychiater Schoutrop van 15 juli 2017. Appellant heeft verder onder meer gewezen op zijn dagverhaal en de gevolgen van zijn beperkingen voor zijn algeheel functioneren. Appellant acht zich niet in staat tot het uitvoeren van activiteiten van het dagelijks leven (ADL) of het verrichten van arbeid. Hij heeft er daarbij op gewezen dat hij in beroep heeft verzocht om psychiater Schoutrop aanvullend te laten rapporteren. Verder heeft hij aangevoerd dat de werkzaamheden in de functies van samensteller en productiemedewerker industrie te complex van aard zijn en dat in deze functies en in de functie van machinebediende inpak-/verpakkingsmachine te veel van zijn concentratie wordt gevergd.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Na vragen van de Raad heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in een rapport van 2 september 2019 alsnog de functie van machinebediende inpak-/verpakkingsmachine laten vervallen. Op basis van de resterende voorbeeldfuncties is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op 64,35%.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA met ingang van 8 december 2015 juist heeft vastgesteld.

4.3.

De rechtbank heeft met juistheid verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 november 2016. Uit dit rapport volgt dat deze verzekeringsarts de informatie van psychiater Schoutrop en orthopedisch chirurg Giesberts in aanmerking heeft genomen en onder meer op basis daarvan de FML heeft aangepast. In de aangepaste FML van 22 november 2016 wordt appellant aangewezen geacht op een voorspelbare werksituatie, werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken, waarin geen hoog handelingstempo vereist is en zonder verhoogd persoonlijk risico en is hij beperkt geacht wat betreft omgang met conflicten. Ook is appellant beperkt geacht wat betreft dynamische handelingen en statische belasting door het aannemen van beperkingen voor bijvoorbeeld schroefbewegingen, frequent reiken, frequent buigen, duwen of trekken, tillen of dragen en boven schouderhoogte actief zijn. Wat betreft werktijden is hij beperkt voor wisseldiensten en ’s avonds/’s nachts werken. Er zijn geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de informatie van Schoutrop onvoldoende in aanmerking is genomen. Er is dan ook geen aanleiding om te oordelen dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om psychiater Schoutrop aanvullend te laten rapporteren. Hieraan wordt toegevoegd dat uit de informatie van psychiater Schoutrop noch uit andere gegevens is gebleken van een ADL-afhankelijkheid als bedoeld in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Het gaat hier om een dermate afhankelijkheid bij de activiteiten van het dagelijks leven dat iemand niet lichamelijk zelfredzaam is. Daarbij kan worden gedacht aan activiteiten als eten, drinken, zichzelf wassen, gebitsverzorging, toiletgang en aan- en uitkleden. Gelet op het in de verzekeringsgeneeskundige rapporten vermelde dagverhaal verricht appellant huishoudelijke activiteiten, zij het in een laag tempo. Van een situatie van geen benutbare mogelijkheden is dan ook geen sprake, zodat terecht een FML is opgesteld.

4.4.

In hoger beroep heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 2 september 2019 een nadere motivering gegeven voor het boven schouderhoogte actief zijn in de functie van samensteller kunststof- en rubberindustrie. De arbeidsdeskundige heeft overleg gehad met een verzekeringsarts bezwaar en beroep die heeft toegelicht dat appellant met de linkerschouder tot 160 graden kan bewegen. Gelet op de lengte van appellant van 182 cm is in deze functie nauwelijks sprake van boven schouderhoogte actief zijn. De Raad heeft geen aanwijzingen gevonden dat deze uitgangspunten niet juist zijn. Uitgaande van deze toelichting is deze functie passend. Uitgaande van de juistheid van de FML zijn de in het rapport van 2 september 2019 gehandhaafde voorbeeldfuncties geschikt voor appellant. De arbeidsdeskundigen hebben door middel van een motivering op de resultaat functiebeoordeling en de rapporten van 28 november 2016 en 2 september 2019 voldoende inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat appellant in staat is tot het verrichten van de aan deze functies verbonden werkzaamheden.

4.5.

In het rapport van 2 september 2019 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de functie van machinebediende inpak-/verpakkingsmachine alsnog laten vervallen waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid is gewijzigd van 40,58% naar 64,35%. Hoewel dit geen gevolgen heeft voor de hoogte of duur van de loongerelateerde WGA-uitkering, brengt deze wijziging in de resterende verdiencapaciteit en de voor appellant geldende inkomenseis wel verandering in de rechtspositie van appellant. De uitspraak van de rechtbank kan om deze reden niet in stand blijven. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover daarbij het bezwaar ongegrond is verklaard en de vergoeding van de kosten in bezwaar is afgewezen. De Raad zal het besluit van 4 december 2015 herroepen voor zover daarin is bepaald dat arbeidsongeschiktheid 40,58% bedraagt en de mate van arbeidsongeschiktheid per 8 december 2015 vaststellen op 64,35%.

5. Er bestaat aanleiding voor een veroordeling in de kosten van appellant ter zake van verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- in bezwaar (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting), € 1.050,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting) en € 1.050,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor de zitting), in totaal € 3.150,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 30 november 2016, voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 4 december 2015 ongegrond is verklaard en vergoeding van de kosten in bezwaar is afgewezen;

  • -

    herroept het besluit van 4 december 2015 en stelt de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 8 december 2015 vast op 64,35%;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 30 november 2016;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.150,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van E. Diele als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2020.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) E. Diele