Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:559

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
05-03-2020
Zaaknummer
18/3842 WW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:5174, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1694) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, in navolging van de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal van 20 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:896), geoordeeld dat bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel drie stappen moeten worden doorlopen. De Raad heeft de Afdeling in deze lijn gevolgd (zie de uitspraak van 31 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4351). Het oordeel van de rechtbank dat het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel niet slaagt en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, worden geheel onderschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2020-0019
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3842 WW

Datum uitspraak: 4 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 juni 2018, 17/6693 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.E. Stout, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2020. Mr. Stout is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. I.M. Veringmeier.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 21 december 2016 heeft het Uwv appellant met ingang van

12 december 2016 tot en met 11 juli 2017 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.2.

Bij besluit van 20 januari 2017 heeft het Uwv appellant toestemming verleend om met behoud van zijn WW-uitkering werk te zoeken in Polen in de periode van 23 januari 2017 tot en met 11 april 2017. In dat besluit is verder vermeld dat de WW-uitkering na 11 april 2017 stopt. Op 11 mei 2017 heeft appellant opnieuw een WW-uitkering aangevraagd. Volgens opgave van appellant op het aanvraagformulier is de eerste werkloosheidsdag 11 april 2017. Bij besluit van 22 mei 2017 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant in Nederland recht heeft op een WW-uitkering tot en met 11 april 2017 en dat de WW-uitkering in Polen wordt stopgezet. Bij besluit van 5 juni 2017 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 12 april 2017 geen recht meer heeft op een WW-uitkering.

1.3.

Bij besluit van 9 juni 2017 heeft het Uwv het besluit van 21 december 2016

ingetrokken en appellant met ingang van 12 december 2016 tot en met 11 april 2017 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering.

1.4.

Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 juni 2017 is bij beslissing op bezwaar van 13 oktober 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft voorop gesteld dat de einddatum van de WW-uitkering van appellant van 11 juli 2017 in het besluit van 21 december 2016 onjuist is. Volgens de rechtbank leidt deze foutieve vermelding van de einddatum niet tot het oordeel dat de wet in dit geval buiten toepassing moet blijven. Hiertoe heeft zij overwogen dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij geen recht meer had op WW-uitkering na 11 april 2017. Het besluit van 21 december 2016 bevat een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging dat appellant tot en met 11 juli 2017 recht heeft op een WW-uitkering maar deze toezegging kan volgens de rechtbank bij appellant geen gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. De rechtbank heeft hierbij van belang geacht dat er bij appellant geen sprake was van een onduidelijk arbeidsverleden en dat de uitkeringsduur van de WW-uitkering uit de wet blijkt. Daarnaast heeft de rechtbank van belang geacht dat het appellant uit het besluit van 20 januari 2017, waarin hem is meegedeeld dat zijn WW-uitkering na 11 april 2017 stopt, duidelijk moet zijn geworden dat in het besluit van 21 december 2016 een onjuiste einddatum van de WW-uitkering is opgenomen. Verder heeft de rechtbank erop gewezen dat appellant in zijn WW-aanvraag van 11 mei 2017 heeft opgegeven dat de eerste werkloosheidsdag 11 april 2017 is en dat het Uwv bij besluit van

22 mei 2017 heeft vastgesteld dat appellant recht heeft op een WW-uitkering tot en met

11 april 2017. De rechtbank heeft het beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen. Volgens de rechtbank heeft het Uwv ook niet gehandeld in strijd met andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat hij aan de in het besluit van 21 december 2016 genoemde einddatum van 11 juli 2017 de gerechtvaardigde verwachting mocht ontlenen dat hij tot en met die datum recht zou hebben op een WW-uitkering.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Bij uitspraak van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1694) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, in navolging van de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal van 20 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:896), geoordeeld dat bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel drie stappen moeten worden doorlopen. De Raad heeft de Afdeling in deze lijn gevolgd (zie de uitspraak van 31 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4351). In deze lijn is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in de eerste plaats vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.

4.2.

Het oordeel van de rechtbank dat het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel niet slaagt en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, worden, onder verwijzing naar de onder 4.1 aangehaalde rechtspraak, geheel onderschreven. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de in de aangevallen uitspraak en onder 2 weergegeven feiten en omstandigheden met juistheid overwogen dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij geen recht meer had op WW-uitkering na 11 april 2017. Overigens wordt volstaan te verwijzen naar de aangevallen uitspraak.

5. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en S. Wijna en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van F.E.M. Boon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2020.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) F.E.M. Boon