Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:552

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
05-03-2020
Zaaknummer
18/3675 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft bij besluit van 20 juni 2017 vastgesteld dat appellante per gelijke datum geen recht meer heeft op ziekengeld. Appellante wordt geschikt geacht voor het verrichten van haar arbeid, zijnde de in het kader van de eerdere WIA-beoordeling geselecteerde functie van samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050). De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Wat in hoger beroep is aangevoerd en in essentie een herhaling is van de gronden in bezwaar en beroep, leidt niet tot een ander oordeel dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Dat oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3675 ZW

Datum uitspraak: 4 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 30 mei 2018, 17/3722 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Smeets, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2020. Voor appellante is mr. J. Jansen, kantoorgenoot van mr. Smeets verschenen, bijgestaan door de partner van appellante. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Naar aanleiding van een eerdere ziekmelding van appellante heeft het Uwv bij besluit van 9 april 2015 zijn standpunt gehandhaafd dat appellante met ingang van 11 september 2014 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Met ingang van die datum is appellante met haar beperkingen in staat geacht om de voorbeeldfuncties inpakker (SBC-code 111190), machinaal metaalbewerker (SBC-code 264122) en samensteller elektrotechnische apparatuur (SBC-code 267050) te verrichten waarmee zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen. Appellante heeft tegen het besluit van 9 april 2015 geen beroep bij de rechtbank ingesteld.

1.2.

Vanuit de situatie dat appellante een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, heeft zij zich op 30 mei 2016 ziek gemeld met vermoeidheids- en gewrichtsklachten. Appellante heeft op 15 juni 2017 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft haar geschikt geacht voor het verrichten van haar arbeid, zijnde de in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functie van samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050). Het Uwv heeft bij besluit van 20 juni 2017 vastgesteld dat appellante per gelijke datum geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 juni 2017 heeft het Uwv bij besluit van 18 oktober 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit is een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 oktober 2017 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 17 oktober 2017 ten grondslag gelegd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Daarbij is van belang geacht dat de verzekeringsartsen van het Uwv appellante zelf hebben gezien, dat zij dossieronderzoek hebben verricht en alle beschikbare informatie van de behandelend sector bij hun onderzoek hebben betrokken. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan de juistheid van de beoordelingen van de verzekeringsartsen van het Uwv te twijfelen en heeft gelet op de goed gemotiveerde conclusie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geoordeeld dat appellante geschikt te achten is voor de functie van samensteller elektronische apparatuur.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij ongeschikt is voor de functie van samensteller elektronische apparatuur en dat (de ernst van) haar psychische klachten, met name de concentratieklachten, en haar andere beperkingen zijn onderschat. Appellante heeft een rapport van een psychologisch onderzoek van 6 november en 7 december 2018 ingebracht. Ook heeft zij een vrijstellingsbesluit inzake de Participatiewet over de periode 11 februari 2019 tot 16 juni 2019 en een behandelplan van 4 juni 2019 ingebracht.

3.2.

Het Uwv heeft met verwijzing naar het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 februari 2019 bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Zoals vaker is geoordeeld gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

4.2.

Wat in hoger beroep is aangevoerd en in essentie een herhaling is van de gronden in bezwaar en beroep, leidt niet tot een ander oordeel dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Dat oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Hieraan wordt toegevoegd dat in de informatie van de behandelend sector rond de datum in geding van 27 juni 2017 geen steun wordt gevonden voor het standpunt van appellante dat haar concentratieklachten zijn onderschat, nu daar op de datum in geding van 20 juni 2017 in die stukken niets over wordt vermeld. Het rapport op basis van de onderzoeken van 6 november en 7 december 2018 waarin aanwijzingen worden gevonden voor een aandachtstekortstoornis kan niet tot een ander oordeel over haar belastbaarheid leiden, aangezien die informatie betrekking heeft op een onderzoek ver na de datum in geding en sprake is van een waarschijnlijkheidsdiagnose waaraan geen validiteitstesten ten grondslag liggen. In het door het Uwv in hoger beroep ingebrachte rapport van 27 februari 2019 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is zeer uitgebreid, goed gemotiveerd en stapsgewijs ingegaan op alle klachten en bezwaren van appellante en gereageerd op het rapport van het psychologisch onderzoek. Er wordt geen aanleiding gezien om de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarin niet te volgen. Ook de overige in hoger beroep door appellante ingebrachte (medische) stukken kunnen niet tot een ander oordeel over haar belastbaarheid leiden aangezien ook die informatie betrekking heeft op een periode ver na de datum hier in geding van 20 juni 2017 en op een ander beoordelingskader.

5. Wat in 4.2 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van A.L. Abdoellakhan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2020.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) A.L. Abdoellakhan