Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:549

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
05-03-2020
Zaaknummer
18/3069 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 augustus 2016 heeft de Svb geweigerd aan appellante een nabestaandenuitkering toe te kennen omdat zij niet meer dan 45% arbeidsongeschikt is. er geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv. Het voorstel van de gemachtigde van appellante om een deskundige in te schakelen wordt daarom niet gevolgd. De geselecteerde functies worden geschikt geacht voor appellante. Nu de Svb eerst in hoger beroep het bestreden besluit van een toereikende medische en arbeidskundige grondslag heeft voorzien, is het bestreden besluit eerst in hoger beroep deugdelijk gemotiveerd. Dit gebrek zal onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, nu aannemelijk is dat hierdoor geen belanghebbenden worden benadeeld. Proceskostenveroordeling en griffierechtvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3069 ANW

Datum uitspraak: 4 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

24 april 2018, 17/2558 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Cornelisse. Het Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.M. Herder.

OVERWEGINGEN

1.1.

De Svb heeft aan appellante met ingang van februari 2007 in verband met het overlijden van haar echtgenoot een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) toegekend. Omdat het jongste kind van appellante op 6 juni 2016 de leeftijd van achttien jaar bereikte, heeft de Svb bij besluit van 9 maart 2016 deze nabestaandenuitkering met ingang van 1 juli 2016 ingetrokken. In dat besluit is vermeld dat indien appellante 45% of meer arbeidsongeschikt is, zij nog wel in aanmerking kan komen voor een nabestaandenuitkering.

1.2.

Appellante heeft op 6 mei 2016 aan de Svb bericht dat zij zich arbeidsongeschikt acht. Op verzoek van de Svb heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) onderzoek gedaan naar de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante. Op grond van rapporten van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige heeft het Uwv de Svb op 3 augustus 2016 geadviseerd om appellante niet aan te merken als arbeidsongeschikt in de zin van de ANW.

1.3.

Bij besluit van 9 augustus 2016 heeft de Svb geweigerd aan appellante een nabestaandenuitkering toe te kennen omdat zij niet meer dan 45% arbeidsongeschikt is.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 6 april 2017 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 9 augustus 2016 ongegrond verklaard. Hieraan lag opnieuw een advies van het Uwv ten grondslag, gebaseerd op rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze is verricht. Alle naar voren gebrachte klachten zijn op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling. Dat geldt ook voor de eigen bevindingen uit psychisch en lichamelijk onderzoek en voor de in het dossier aanwezige informatie van de behandelend sector. De rechtbank is voorts van oordeel dat de medische belastbaarheid van appellante op de datum in geding in de rapporten op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. Het beroep van appellante geeft geen aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een onafhankelijk deskundige te benoemen, zoals appellante heeft verzocht. De rapporten van de verzekeringsartsen geven blijk van een zorgvuldig onderzoek en zijn deugdelijk gemotiveerd, inzichtelijk en consistent. Appellante heeft voldoende gelegenheid gehad om de medische bevindingen van de verzekeringsartsen te betwisten, bijvoorbeeld door zelf medische stukken in te dienen. De ingebrachte stukken hebben geen twijfel doen ontstaan aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. Verder is voldoende gemotiveerd dat de belasting in de geduide functies de vastgestelde medische belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.

3.1.

Appellante stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat zij meer beperkt is dan vermeld in de door het Uwv opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De rechtbank heeft ten onrechte nagelaten een onafhankelijke deskundige te benoemen. Ter zitting van de Raad is daaraan toegevoegd dat de functie soldeerder de belastbaarheid van appellante overschrijdt.

3.2.

De Svb verzoekt onder verwijzing naar het bestreden besluit de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Wettelijk kader

4.1.1.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de ANW heeft de nabestaande die arbeidsongeschikt is, recht op een nabestaandenuitkering. Het begrip arbeidsongeschiktheid is nader gedefinieerd in artikel 11 van de ANW.

Artikel 11 van de ANW luidt:

1. Arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

2. In het eerste lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

4.1.2.

Volgens vaste rechtspraak wordt ervan uitgegaan dat de wetgever met deze bepaling kennelijk heeft beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten en ligt het dan ook voor de hand bij de toepassing van artikel 11 van de ANW zo mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en de rechtspraak met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid in die wetten.

4.2.

Schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid, medisch

4.2.1.

De Svb heeft door de Raad gestelde vragen, onder meer in verband met de bij appellante bestaande huisstofallergie, voorgelegd aan het Uwv. Naar aanleiding van deze vragen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv rubriek 3 van de FML, ‘Aanpassing aan fysieke omgevingseisen’ aangepast. Appellante is in verband met de bij haar bestaande huisstofmijtallergie beperkt geacht voor blootstelling aan ‘rook, gassen en dampen’ waarbij volgens het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv gedacht moet worden aan rook van een houtkachel, stoffen die vrijkomen bij houtbewerking of werken in een stoffige omgeving die kan voorkomen in archieven. De Raad ziet geen reden te twijfelen aan de aldus omschreven belastbaarheid van appellante.

4.2.2.

Ter zitting van de Raad is er door appellante op gewezen dat zij in verband met thalassemie gehinderd wordt door vermoeidheid en daardoor niet volledig inzetbaar is. De huisarts en de behandelend psychiater van appellante hebben desgevraagd aan de verzekeringsartsen van het Uwv inlichtingen verstrekt over de gezondheidstoestand van appellante. Volgens de informatie van de huisarts heeft appellante naar eigen zeggen een lichte vorm van thalassemie, die leidt tot een wat verlaagd Hb, wat klachten van vermoeidheid kan verklaren. De psychiater maakt geen melding van vermoeidheid ten gevolge van thalassemie. Met de inlichtingen van de huisarts is door de verzekeringsartsen van het Uwv bij hun advisering rekening gehouden. Er is geen aanleiding op dit punt te twijfelen aan de juistheid van het advies van het Uwv.

4.2.3.

Voor het overige bevatten de gronden in hoger beroep een herhaling van wat in eerste aanleg was aangevoerd. Wat dit betreft wordt aangesloten bij de overwegingen van de rechtbank.

4.2.4.

Gelet op hetgeen is overwogen in 4.2.1 tot en met 4.2.3. is er geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv. Het voorstel van de gemachtigde van appellante om een deskundige in te schakelen wordt daarom niet gevolgd.

4.3.

Schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid, arbeidskundig

4.3.1.

Uitgaande van de aangepaste FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv een aantal van de voor appellante geselecteerde voorbeeldfuncties laten vervallen en een nieuwe geselecteerd, te weten ‘Productiemedewerker metaal en elektro-industrie’
(SBC-code 111171). De gemachtigde van appellante heeft bestreden dat deze functie van – kort gezegd – soldeerder door appellante vervuld kan worden in verband met de blootstelling aan rook, gassen en dampen.

4.3.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv heeft vastgesteld dat voor appellante in verband met haar allergie voor huisstofmijt een beperking geldt voor de blootstelling aan rook, gassen en dampen, waarbij – zoals in 4.2.1 is vermeld – volgens het rapport van deze arts ‘gedacht moet worden aan rook van een houtkachel, stoffen die vrijkomen bij houtbewerking, werken in een stoffige omgeving die kan voorkomen in archieven’. Bij de selectie van de functie van soldeerder heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv in aanmerking genomen dat een dergelijke belasting in deze functie niet voorkomt. Er is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het advies van het Uwv in dit opzicht onjuist is en niet door de Svb had mogen worden gevolgd.

4.4.

Conclusie

4.4.1.

Gezien hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen, is de Raad met de Svb van oordeel dat appellante niet arbeidsongeschikt is in de zin van de ANW.

4.4.2.

Nu de Svb eerst in hoger beroep het bestreden besluit van een toereikende medische en arbeidskundige grondslag heeft voorzien, is het bestreden besluit eerst in hoger beroep deugdelijk gemotiveerd. Dit gebrek zal onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, nu aannemelijk is dat hierdoor geen belanghebbenden worden benadeeld. De aangevallen uitspraak zal met verbetering van gronden worden bevestigd.

4.4.3.

In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt aanleiding gezien de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 1.050,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 2.100,-. Tevens dient het Uwv het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,- te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.100,-;

- bepaalt dat de Svb het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 174,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van B.V.K de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2020.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) B.V.K. de Louw