Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:546

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
05-03-2020
Zaaknummer
18/1891 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek om kwijtschelding van de (resterende rentedragende lening. De Wsf 2000 voorziet slechts in kwijtschelding bij het einde van de aflosfase en bij overlijden van de debiteur. De minister voert met toepassing van de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 opgenomen hardheidsclausule een beleid waarin staat dat ook kwijtschelding wordt verleend. Uit de door appellant gedurende de procedure overgelegde gegevens heeft de minister, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, terecht de conclusie getrokken dat de situatie van appellant niet valt onder de in het beleid opgenomen situaties. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de minister de conclusie van zijn medisch adviseur niet heeft kunnen volgen. Ook als ervan wordt uitgegaan dat de door appellant geschetste omstandigheden hem belasten en dat de schuld daardoor als zodanig op hem drukt, behoeven zij de minister geen aanleiding te geven van zijn beleid af te wijken. Van de minister kan niet worden verlangd dat hij bij studerenden die een schuld opbouwen nagaat of (het ontstaan van) deze schuld (nog steeds, en in het concrete geval) verantwoord is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2020/148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/1891 WSF

Datum uitspraak: 4 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 februari 2018, 17/4242 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C. Hesen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant en de minister hebben een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hesen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.C. Rots.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft sinds september 2008 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) ontvangen in de vorm van een prestatiebeurs, rentedragende lening en collegegeldkrediet.

1.2.

Bij besluit van 12 augustus 2016 heeft de minister aan appellant meegedeeld dat zijn prestatiebeurs hoger onderwijs wordt toegekend als gift in verband met een structurele bijzondere omstandigheid.

1.3.

Bij brief van 21 maart 2017 heeft appellant de minister verzocht de (resterende) rentedragende lening kwijt te schelden. Hij heeft daarbij gewezen op zijn medische omstandigheden, die maken dat de schuld zwaar op hem drukt.

1.4.

Bij besluit van 27 maart 2017 heeft de minister het verzoek van appellant afgewezen.

1.5.

Het door appellant tegen de afwijzing van zijn verzoek gemaakte bezwaar is door de minister bij besluit van 5 september 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de minister op basis van de door appellant overgelegde stukken terecht heeft geconcludeerd dat de situatie waarin appellant zich bevindt, niet valt onder één van de in het door de minister gevoerde beleid omschreven situaties. Evenmin is gebleken dat de medische situatie van appellant, gelet op de aard en gevolgen daarvan, op één lijn moet worden gesteld met één van de genoemde categorieën, op grond waarvan een uitzondering op het beleid had moeten worden gemaakt, bijvoorbeeld omdat appellant ook in de toekomst niet in staat kan worden geacht een inkomen te verwerven. De door appellant aangevoerde omstandigheden kunnen niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die tot afwijking van het beleid noopten. De rechtbank kan appellant niet volgen in zijn stelling dat de minister kritischer had moeten zijn en appellant eerder had moeten wijzen op de consequenties van het oplopen van de studieschuld. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant tijdens de studieperiode is geïnformeerd over het oplopen van de studieschuld en dat er strikte regelgeving is over het maximale bedrag dat een student per maand mag lenen, over de berekening van de aflossingstermijn bij onvoldoende inkomen en over het na verloop van tijd kwijtschelden van de restschuld.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. In grote lijnen heeft hij hetgeen in bezwaar en beroep is aangevoerd, herhaald. Hij heeft gezegd dat hij chronische psychische klachten heeft en dat de studieschuld grote invloed heeft op zijn belastbaarheid en een belemmering vormt voor zijn behandeling. In die zin is zijn situatie vergelijkbaar met de situatie die in het beleid van de minister is opgenomen voor psychiatrische patiënten.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

De Wsf 2000 voorziet slechts in kwijtschelding bij het einde van de aflosfase en bij overlijden van de debiteur.

4.2.1.

De minister voert met toepassing van de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 opgenomen hardheidsclausule een beleid waarin staat dat ook kwijtschelding wordt verleend indien:

a. de debiteur een terminale ziekte heeft waardoor hij naar verwachting binnen een jaar komt te overlijden;

b. de debiteur gedurende langere tijd in coma ligt;

c. de debiteur een psychiatrische patiënt is die is opgenomen in een inrichting en de situatie uitzichtloos is;

d. de debiteur die ernstig (geestelijk) gehandicapt is.

4.2.2.

Ter toelichting van dit beleid heeft de minister in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 22 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2333, uiteengezet dat naar zijn mening met de financiële situatie van een debiteur reeds voldoende rekening wordt gehouden door middel van het kunnen aanvragen van een draagkrachtmeting en de mogelijkheid om achterstallige termijnen via de deurwaarder naar draagkracht te betalen. De achterliggende gedachte bij de totstandkoming van de in het beleid omschreven categorieën is dat van debiteuren die in dergelijke medisch uitzichtloze situaties verkeren op humanitaire gronden niet kan worden verlangd dat zij hun studieschuld nog (verder) terugbetalen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraken van 10 december 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AR8524, en 20 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1421) is het door de minister gevoerde kwijtscheldingsbeleid niet onredelijk en mag dat ook stringent worden uitgelegd.

4.3.

Uit de door appellant gedurende de procedure overgelegde gegevens heeft de minister, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, terecht de conclusie getrokken dat de situatie van appellant niet valt onder de in het beleid opgenomen situaties. Het rapport van GZ-psycholoog T. Heirman, opgesteld naar aanleiding van een onderzoek van 6 april 2018, dat appellant in hoger beroep heeft overgelegd, geeft een beschrijving van de psychische klachten van appellant. Uit dat rapport komt naar voren dat appellant bekend is met ‘angst- en depressieve klachten, uitgelokt door het na zes jaar afbreken van een HBO-opleiding en studieschuld’. Blijkens het rapport verhogen zijn slechthorendheid en het meemaken van onveiligheid en discriminatie in combinatie met een persoonlijke stijl die neigt tot vermijden en perfectionisme zijn kwetsbaarheid. F. Knol, medisch adviseur van de minister, heeft op basis van de eerder verstrekte gegevens en het rapport van Heirman, de conclusie getrokken dat de gediagnostiseerde psychische problematiek niet valt onder de problematiek als in het beleid beschreven ten aanzien van psychiatrische patiënten in een uitzichtloze situatie en evenmin hiermee vergelijkbaar is.

4.4.

Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de minister de conclusie van zijn medisch adviseur niet heeft kunnen volgen. Ook als ervan wordt uitgegaan dat de door appellant geschetste omstandigheden hem belasten en dat de schuld daardoor als zodanig op hem drukt, behoeven zij de minister geen aanleiding te geven van zijn beleid af te wijken. In dit verband is van belang dat appellant de mogelijkheid heeft om gebruik te maken van de door de wetgever geregelde systematiek waarin jaarlijks aan de hand van de draagkracht van de debiteur wordt bezien of, en zo ja tot welk bedrag, aflossing dient plaats te vinden. Appellant maakt van die mogelijkheid ook gebruik. Dat dit voor hem onredelijk bezwarend is volgt niet uit de overgelegde gegevens. Daarnaast is van belang de garantie dat – ook na draagkrachtmeting – de (rest)schuld in beginsel aan het eind van de vijftien jaar durende aflosfase wordt kwijtgescholden.

4.5.

Anders dan appellant meent, kan niet worden gezegd dat de minister zijn zorgplicht jegens appellant niet is nagekomen door hem maandelijks bedragen te verstrekken, waarmee een grote schuld is ontstaan. Van de minister kan, gelet ook op de hiervoor beschreven waarborgen bij de terugbetaling, niet worden verlangd dat hij bij studerenden die een schuld opbouwen nagaat of (het ontstaan van) deze schuld (nog steeds, en in het concrete geval) verantwoord is.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van C.M. van de Ven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2020.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) C.M. van de Ven