Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:543

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
05-03-2020
Zaaknummer
17/5602 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft bij besluit van 5 juli 2016 de ZW-uitkering van appellante per 6 juli 2016 beëindigd. Appellante wordt per 6 juli 2016 geschikt geacht voor (ten minste één van) de in het kader van de EZWb van 2015 geselecteerde functies van productiemedewerker industrie, magazijnmedewerker en productiemedewerker metaal- en elektro-industrie. Het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Het verzoek van appellante om een onafhankelijke deskundige te benoemen wordt afgewezen, omdat de daartoe noodzakelijke twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling van het Uwv ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5602 ZW

Datum uitspraak: 4 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

1. Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

30 juni 2017, 16/7867 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Köker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. L. Bastimar, kantoorgenoot van mr. Köker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.L. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als cateringmedewerkster voor gemiddeld twintig uur per week. Op 9 juni 2009 heeft zij zich ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. Het Uwv heeft appellante bij besluit van 21 april 2011 na afloop van de voorgeschreven wachttijd een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.2.

Na nieuwe ziekmeldingen van appellante, toen zij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet (WW), zijn uitkeringen van appellante op grond van de Ziektewet (ZW) per 19 november 2012 geëindigd omdat zij geschikt werd geacht voor een van de functies die in het kader van de WIA-beoordeling waren geselecteerd en per 27 maart 2014 omdat zij geschikt werd geacht voor functies die in het kader van een eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) waren geselecteerd. Het Uwv bij besluit van 13 oktober 2015 de ZW-uitkering van appellante per 14 november 2015 beëindigd, omdat zij op grond van een volgende EZWb meer dan 65% kon verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Appellante werd in verband met toegenomen beperkingen niet meer in staat geacht tot het verrichten van de in het kader van de EZWb van 2014 geselecteerde functies, maar wel tot het vervullen van diverse andere functies.

1.3.

Het Uwv heeft appellante per 14 november 2015 weer een WW-uitkering toegekend. Appellante heeft zich op 19 mei 2016 opnieuw ziek gemeld met lichamelijke klachten waaronder oorsuizen en een verminderd gehoor en met psychische klachten. In verband hiermee heeft zij op 5 juli 2016 het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft appellante per 6 juli 2016 geschikt geacht voor (ten minste één van) de in het kader van de EZWb van 2015 geselecteerde functies van productiemedewerker industrie, magazijnmedewerker en productiemedewerker metaal- en elektro-industrie. Het Uwv heeft het Uwv bij besluit van 5 juli 2016 de ZW-uitkering van appellante per 6 juli 2016 beëindigd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 7 november 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig geacht en geoordeeld dat de uitkomst van dit onderzoek juist is. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat de Uwv-arts heeft uiteengezet dat de beperkingen in verband met de chronische pijnklachten van appellante en haar overige klachten vergelijkbaar zijn met de bij de EZWb van 2015 vastgestelde beperkingen. De rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd in haar standpunt dat de ten opzichte van die beoordeling nieuwe klachten van duizeligheid, tinnitus en verminderd gehoor rechts geen reden zijn om meer beperkingen aan te nemen. In de bij de EZWb van 2015 geselecteerde functies komt langdurige geluidsbelasting bovendien niet voor en worden er ook geen specifieke eisen gesteld aan communicatieve vaardigheden.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante gesteld dat zij op de datum in geding niet geschikt was voor (één van) de bij de EZWb van 2015 geselecteerde functies. Daarbij heeft appellante herhaald wat zij in beroep heeft aangevoerd. Hieraan heeft zij toegevoegd dat zij in juni 2017 een licht hartinfarct heeft gehad. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een brief van 11 september 2017 van haar behandelend cardioloog overgelegd. Appellante is op die datum gedotterd en heeft een stent in een kransslagader gekregen. Appellante heeft gesteld dat zij vanaf 2009 al min of meer last had van benauwdheid en verslechterde ademhaling en dat deze klachten in 2013 en 2014 erger werden. Het lijkt er volgens haar op dat de meeste klachten zoals benauwdheid, immobiliteit, bedlegerigheid en de chronische vermoeidheid voortvloeiden uit de vernauwing in de kransslagader. Ten slotte heeft appellante zich beroepen op een brief van 24 januari 2020 van haar huisarts.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen, onder verwijzing naar een rapport van 24 november 2017 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na 52 weken ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de EZWb. Het gaat daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste een van de geselecteerde functies (zie de uitspraak van de Raad van 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1225).

4.2.1.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is grotendeels een herhaling van wat zij in eerste aanleg naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende gemotiveerd in haar overwegingen besproken. Het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven.

4.2.2.Daaraan wordt toegevoegd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep navolgbaar en overtuigend heeft gesteld dat uit de brief van de cardioloog niet is af te leiden dat de in juni 2017 ontstane hartklachten al op de datum in geding aanwezig waren. De in juni 2017 vastgestelde kransslagadervernauwing geeft geen verklaring voor de sinds 2009 bestaande klachten van benauwdheid en vermoeidheid. Kenmerken van specifieke cardiale klachten in de periode voor juni 2017 zijn in geen enkel medische stuk in het dossier te vinden, ondanks zeer uitgebreide onderzoeken van verscheidene specialisten. Bij eigen onderzoek in november 2016 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen symptomen van coronair lijden vastgesteld. Deze arts heeft toegelicht dat atherosclerose (aderverkalking) een langzaam progressief ziekteproces is dat lang asymptomatisch kan verlopen. Ook de huisarts heeft gesteld dat hij geen link kan leggen tussen het hartinfarct van appellante in 2017 en haar klachten in 2013-2014. De opmerking van de huisarts dat overmatige stress met de aanwezige leefstijl natuurlijk wel kan leiden tot hartproblemen op termijn, daargelaten dat dit een opmerking van algemene aard is die niet specifiek betrekking heeft op de situatie van appellante, leidt dan ook niet tot een ander oordeel.

4.3.

Het ter zitting gedane verzoek van appellante om een onafhankelijke deskundige te benoemen wordt afgewezen, omdat de daartoe noodzakelijke twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling van het Uwv ontbreekt.

4.4.

Overwegingen 4.2.1 tot en met 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van L.E. König als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2020.

(getekend) M. Greebe

(getekend) L.E. König