Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:541

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
05-03-2020
Zaaknummer
18/4112 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:4616, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De schorsing van de ZW-uitkering is ongedaan gemaakt door het bezoek van appellant van het spreekuur van de bedrijfsarts op 28 oktober 2016. Nu, desgevraagd ter zitting, niet gesteld of gebleken is dat appellant door de vertraging in de uitbetaling schade heeft geleden, dient het hoger beroep met betrekking tot de schorsing van de ZW-uitkering niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het Uwv wordt gevolgd in het standpunt dat, doordat appellant niet op het spreekuur is verschenen, niet kan worden vastgesteld of appellant vanaf 5 oktober 2016 recht heeft op een ZW uitkering. Het Uwv heeft terecht met ingang van 5 oktober 2016 tot 4 december 2016 een maatregel van 10% opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4112 ZW

Datum uitspraak: 4 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam

van 13 juni 2018, 17/2612 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats 1] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[ex-werkgever] te [woonplaats 2] (ex-werkgever)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De ex-werkgever heeft een zienswijze ingestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2020. Voor appellant is mr. Van Zundert verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos. De ex-werkgever heeft zich met voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is bij de ex-werkgever, die eigenrisicodrager voor de Ziektewet (ZW) is, werkzaam geweest als cafémedewerker. Op 4 juli 2016 is appellant voor dat werk uitgevallen vanwege burn-outklachten. Op 18 augustus 2016 is zijn dienstverband beëindigd. De ex‑werkgever heeft op 5 oktober 2016 een verzoek bij het Uwv ingediend om de ZW‑uitkering van appellant per 5 oktober 2016 te schorsen, omdat appellant niet op het spreekuur van de bedrijfsarts van 5 oktober 2016 is verschenen. Bij besluit van 7 oktober 2016 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant per 5 oktober 2016 geschorst. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt.

1.2.

Bij ongedateerd formulier heeft de ex-werkgever het Uwv verzocht om appellant vanwege het niet verschijnen op het spreekuur van de bedrijfsarts een maatregel van 10% op te leggen over de periode van 5 oktober tot en met 4 december 2016. Bij besluit van 2 november 2016 heeft het Uwv de gevraagde maatregel van 10% opgelegd. Ook tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij besluit van 13 maart 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen het schorsingsbesluit en het opleggen van de maatregel van 10% ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 maart 2017 ten grondslag gelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank wat betreft de schorsing overwogen geen aanleiding te zien om anders te oordelen dan het Uwv heeft gedaan, omdat appellant in beroep slechts gewezen heeft op wat hij in bezwaar daartegen heeft aangevoerd. Inzake het opleggen van de maatregel van 10% heeft de rechtbank overwogen dat niet gebleken is dat er voor appellant een medische onmogelijkheid bestond om naar het spreekuur te komen noch dat het onderzoek van het Uwv onzorgvuldig dan wel onvolledig is geweest. Naar aanleiding van het standpunt van appellant dat het Uwv hem een waarschuwing had moeten opleggen, heeft de rechtbank overwogen dat artikel 45 van de ZW daartoe geen mogelijkheid biedt.

3.1.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormen in essentie een herhaling van de gronden in bezwaar en beroep. Appellant blijft erbij dat een schorsing van enkele weken veel te lang is voor iemand in zijn gezondheidstoestand en hij daardoor, maar ook door het opleggen van de maatregel van 10%, in financiële problemen is geraakt wat niet bevorderlijk was voor zijn gezondheid. Volgens appellant was hij op 5 oktober 2016 (ernstig) ziek en gebruikte hij medicijnen waardoor hij de afspraak met de bedrijfsarts niet kon nakomen. Appellant heeft erop gewezen dat hij vanaf 5 juli 2016 tot 13 januari 2017 onder behandeling is geweest. Tot slot heeft appellant naar voren gebracht dat het Uwv hem op grond van artikel 45, derde lid van de ZW wel een waarschuwing had kunnen geven.

3.2.

Het Uwv en de ex-werkgever hebben bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Ambtshalve dient te worden onderzocht of appellant procesbelang heeft bij het hoger beroep dat ziet op de handhaving van het schorsingsbesluit van 7 oktober 2016. Van voldoende procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling door de Raad van de in geding zijnde uitspraak is slechts sprake als het resultaat dat appellant nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor hem feitelijke betekenis kan hebben. Een uitsluitend formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat hij door de schorsing die feitelijk heeft plaatsgevonden tussen 20 oktober en 10 november 2016, gedurende die periode onder het bestaansminimum moest leven waardoor zijn psychische klachten zijn verslechterd. Appellant is van mening dat dit onzorgvuldig is en wil alsnog een rechterlijk oordeel over dit handelen ook al is de uitkering inmiddels uitbetaald. Dat kan echter geen voldoende procesbelang opleveren als bedoeld in overweging 4.1. De schorsing van de ZW-uitkering is ongedaan gemaakt door het bezoek van appellant van het spreekuur van de bedrijfsarts op 28 oktober 2016. Nu, desgevraagd ter zitting, niet gesteld of gebleken is dat appellant door de vertraging in de uitbetaling schade heeft geleden, dient het hoger beroep met betrekking tot de schorsing van de ZW-uitkering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.3.

Met betrekking tot de opgelegde maatregel van 10% wordt voor de toepasselijke regelgeving verwezen naar de aangevallen uitspraak. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant niet op het spreekuur van de bedrijfsarts van 5 oktober 2016 is verschenen. Volgens appellant was hij daartoe niet in staat vanwege de medicijnen die hij gebruikte voor zijn (ernstige) psychische klachten waardoor hij moeite had om in de ochtend wakker te worden en op te staan. Voor dit standpunt van appellant is in de gedingstukken van medische aard geen steun te vinden. Blijkens het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 maart 2017 heeft deze verzekeringsarts het dossier bestudeerd, de hoorzitting van 3 maart 2017 bijgewoond en is op alle klachten en bezwaren van appellant ingegaan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op grond van zijn bevindingen geen reden gevonden waarom appellant niet op het spreekuur van 5 oktober 2016 kon verschijnen, te meer nu hij zichzelf wel in staat achtte om in de middag te verschijnen. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende zorgvuldig is geweest en voldoende inzichtelijk is gemotiveerd. Appellant heeft geen nieuwe medische gegevens ingebracht om daar anders over te oordelen.

4.4.

Het Uwv wordt gevolgd in het standpunt dat, doordat appellant niet op het spreekuur is verschenen, niet kan worden vastgesteld of appellant vanaf 5 oktober 2016 recht heeft op een ZW‑uitkering. Door niet op het spreekuur te verschijnen, is onzekerheid ontstaan over de actuele medische situatie van appellant die (mede) van belang is voor de vraag hoe het ziekteverloop zich ontwikkelt, de re-integratie van appellant gestalte krijgt en daarmee het recht van appellant op een ZW-uitkering. Het Uwv heeft dan ook terecht met ingang van 5 oktober 2016 tot 4 december 2016 een maatregel van 10% opgelegd.

4.5.

Wat het standpunt van appellant betreft dat hem ten onrechte geen waarschuwing als bedoeld in artikel 45, derde lid van de ZW is gegeven, wordt verwezen naar overweging 4.4 van de aangevallen uitspraak. De Raad onderschrijft deze overweging volledig en maakt deze tot de zijne.

5. Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep met betrekking tot het schorsingsbesluit van 7 oktober 2016 niet-ontvankelijk moet worden verklaard en dat de aangevallen uitspraak voor het overige moet worden bevestigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep dat ziet op het schorsingsbesluit van 7 oktober 2016 niet-ontvankelijk en bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van A.L. Abdoellakhan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2020.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) A.L. Abdoellakhan