Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:540

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
05-03-2020
Zaaknummer
17/4211 Wajong
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante heeft te kennen gegeven dat het hoger beroep betrekking heeft op haar verzoek om terug te komen van het besluit van 28 januari 2014 (afwijzing aanvraag om uitkering o.g.v. de Wajong 2010) en daarnaast op herziening van dit besluit voor de toekomst (duuraanspraak). De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb heeft aangevoerd. Wat betreft het verzoek van appellante om herziening van het besluit van 24 januari 2014 voor de toekomst, geeft wat appellante heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat dit besluit onjuist was. De bij de aanvraag gevoegde informatie van de oogarts biedt daarvoor geen aanknopingspunten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/4211 Wajong

Datum uitspraak: 4 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

26 april 2017, 15/3526 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kaya. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren [in] 1995, heeft in verband met klachten van slecht zien en gevoelsstoornissen aan de benen als gevolg van al op jeugdige (vijfjarige) leeftijd aanwezige diabetes mellitus (DM) type 1 op 31 oktober 2013 een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010) aangevraagd. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv de aanvraag bij besluit van 24 januari 2014 afgewezen, omdat appellante in staat is geacht met werkzaamheden meer dan 75% van het wettelijk minimumloon te verdienen. Bij besluit van 1 juli 2014 heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 24 januari 2014 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.

1.2.

Met een op 15 januari 2015 door het Uwv ontvangen formulier heeft appellante opnieuw een Wajong-aanvraag ingediend. Bij de aanvraag heeft appellante informatie van

13 oktober 2014 van de behandelend oogarts gevoegd. De verzekeringsarts heeft appellante op 9 februari 2015 op het spreekuur gezien en heeft informatie opgevraagd bij de oogarts en de behandelend internist. Volgens de verzekeringsarts is de belastbaarheid die bij het eerdere besluit van 24 januari 2014 is aangenomen, nog steeds van toepassing. Bij besluit van

21 mei 2015 is de aanvraag van 15 januari 2015 afgewezen, onder handhaving van het besluit van 28 januari 2014.

1.3.

Bij besluit van 21 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 21 mei 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de aanvraag van

15 januari 2015 een herhaling is van de aanvraag waarop het Uwv bij besluit van

28 januari 2014 heeft beslist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv deze aanvraag kunnen afwijzen, omdat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 22 februari 2017 heeft uiteengezet dat uit de informatie van de oogarts van 3 februari 2017 niet is gebleken dat bij appellante rond haar zeventiende dan wel haar achttiende verjaardag sprake is geweest van een aantasting van de bloedvaten in het netvlies door de DM. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv in de overgelegde nieuwe medische gegevens aanleiding had moeten zien om terug te komen van het besluit van

24 januari 2014. Uit deze gegevens blijkt volgens appellante dat al rond haar zeventiende en achttiende verjaardag sprake is geweest van aantasting van de bloedvaten in het netvlies. De actieve retinopathie bestaat in ieder geval sinds september 2014. Appellante heeft vaak glasvochtbloedingen en is dan enige tijd volledig arbeidsongeschikt. Voor zover het moeilijk is om te achterhalen wat de ernst was op zeventiende en achttiende mag dit volgens appellante niet in haar nadeel werken.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Ter zitting heeft appellante haar beroep op de regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid niet gehandhaafd. Appellante heeft te kennen gegeven dat het hoger beroep betrekking heeft op haar verzoek om terug te komen van het besluit van

28 januari 2014 en daarnaast op herziening van dit besluit voor de toekomst (duuraanspraak).

4.2.

Het Uwv heeft op het verzoek van appellante om terug te komen van het besluit van

28 januari 2014 beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is (zie de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb heeft aangevoerd. De desbetreffende overwegingen van de rechtbank worden geheel onderschreven. Het Uwv wordt gevolgd in zijn standpunt dat de overgelegde nieuwe medische stukken geen aanleiding geven de eerdere beoordeling uit 2014 voor onjuist te houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft navolgbaar en overtuigend uiteengezet dat pas na het besluit van 24 januari 2014, in september 2014, sprake was van een aantasting van de bloedvaten in het netvlies door de DM. De glasvochtbloedingen zijn pas actueel geworden na de achttienjarige leeftijd en het ontstaan daarvan was ook niet te voorspellen. Toegelicht is dat weliswaar vrijwel iedereen die al op kinderleeftijd DM ontwikkelt op enig moment oogafwijkingen krijgt, maar dat het tijdstip en ontstaan ervan niet is te voorspellen. In wat appellante heeft aangevoerd is daarnaast geen grond gelegen om te oordelen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

4.3.

Wat betreft het verzoek van appellante om herziening van het besluit van 24 januari 2014 voor de toekomst, geeft wat appellante heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat dit besluit onjuist was. De bij de aanvraag gevoegde informatie van de oogarts biedt daarvoor geen aanknopingspunten.

4.4.

Gelet op wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen heeft de rechtbank terecht het bestreden besluit, waarbij de afwijzing van de Wajong-aanvraag is gehandhaafd, in stand gelaten.

4.5.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van L.E. König als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2020.

(getekend) M. Greebe

(getekend) L.E. König