Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:539

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
05-03-2020
Zaaknummer
17/7734 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 september 2015 heeft het Uwv geweigerd om betrokkene per

29 september 2015 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de conclusies van de door haar ingeschakelde deskundige kunnen worden gevolgd. Het Uwv heeft in hoger beroep een gewijzigd standpunt ingenomen, inhoudende dat betrokkene met ingang van 29 september 2015 recht heeft op een WIA uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 63,86%. De Raad bepaalt dat betrokkene met ingang van 29 september 2015 recht heeft op een WIA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 63,86%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7734 WIA

Datum uitspraak: 4 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 9 november 2017, 16/932 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. S.S. Sahtoe een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2019. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen, drs. M. Hoogeboom-Copier, verzekeringsarts bezwaar en beroep en dr. P. Eken, stafverzekeringsarts. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Sahtoe.

Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Het Uwv heeft nadere stukken ingediend, waarin het Uwv een gewijzigd standpunt heeft neergelegd.

Betrokkene heeft naar aanleiding van het gewijzigde standpunt van het Uwv een dupliek ingediend.

Het Uwv heeft een vraag van de Raad beantwoord.

Partijen hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht (nader) ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is werkzaam geweest als telefoniste/receptioniste bij een advocatenkantoor. Op 2 oktober 2012 is zij uitgevallen voor deze werkzaamheden vanwege cognitieve klachten.

1.2.

Bij besluit van 22 september 2015 heeft het Uwv geweigerd om betrokkene per

29 september 2015 – na afloop van een aan haar werkgever opgelegde loonsanctie – een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Dit besluit is gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts en een rapport van een arbeidsdeskundige.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 14 januari 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 december 2015 met een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 december 2015 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 11 januari 2016.

1.4.

Betrokkene heeft beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft aanleiding gezien om J.H. Wijers, verzekerings-/bedrijfsarts, als deskundige te benoemen. In zijn rapport van 8 februari 2017 komt deze deskundige tot de conclusie dat de beperkingen van betrokkene naar algemeen aanvaard wetenschappelijk inzicht een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken zijn, ondanks dat het sterk verminderd functioneren met de bijbehorende klachten medisch onvoldoende wordt verklaard. De klachten van betrokkene, door de meeste behandelaars en verzekeringsartsen aangeduid als somatisch onverklaarde lichamelijke klachten (SOLK), worden sinds de komst van DSM-V gekwalificeerd als een (ernstige) somatische symptoomstoornis, waarbij de nadruk ligt op de lijdensdruk. Volgens de deskundige is sprake van een consistent, consequent en samenhangend klachtenpatroon. Aan de realiteit van de door betrokkene geuite klachten en problemen wordt niet getwijfeld. Betrokkene heeft meerdere stoornissen op het niveau van lichamelijk en geestelijk functioneren, waardoor verdergaande beperkingen aangewezen zijn dan in de FML van 14 december 2015 opgenomen. Onder meer is een urenbeperking aangewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de conclusies van de deskundige kunnen worden gevolgd. De deskundige heeft een eigen onderzoek verricht, een uitgebreide anamnese afgenomen en de beschikbare medische gegevens bestudeerd. De conclusies die de deskundige trekt zijn voldoende inzichtelijk, bevatten geen inconsistenties, zijn voldoende concludent en naar behoren medisch geobjectiveerd. De deskundige heeft zich niet uitsluitend gebaseerd op het subjectieve klachtenpatroon van betrokkene, maar heeft de voorhanden zijnde onderzoeksbevindingen en de conclusies die afkomstig zijn van de behandelaars/onderzoekers duidelijk in alle facetten van de beoordeling betrokken, op basis waarvan de individuele beperkingen in kaart zijn gebracht.

3.1.

Het Uwv heeft in hoger beroep aangevoerd dat aanleiding bestaat om af te wijken van de lijn in de vaste uitspraak dat het oordeel van een door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige dient te worden gevolgd, omdat het onderzoek van de deskundige geen gedegen onderzoek was. Het deskundigenonderzoek voldoet ten aanzien van de intersubjectieve toetsbaarheid en consistentie niet aan de Richtlijn Medisch Specialistische Rapportage in bestuurs- en civielrechtelijk verband. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst het Uwv naar het rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep Hoogeboom-Copier van 1 december 2017. Het deskundigenrapport is volgens haar niet voldoende inzichtelijk, niet consistent en niet concludent, omdat de deskundige stelt dat ondanks het ontbreken van een onderliggend medisch substraat uitgebreide beperkingen in de FML moeten worden opgenomen, waarbij volledig is aangesloten bij de klachten van betrokkene in plaats van bij de medische objectiveerbaarheid en (externe) consistentie ervan.

3.2.

Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting is na bespreking van de feiten en omstandigheden van deze zaak afgesproken dat de FML die hoort bij een door betrokkene in bezwaar overgelegd rapport van Ergatis van 18 mei 2015 als uitgangspunt wordt genomen bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene op de datum in geding, 29 september 2015. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 6 augustus 2019 een FML opgesteld waarin de beperkingen uit de FML van Ergatis zijn overgenomen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens aan de hand van deze FML een arbeidskundig onderzoek verricht. In zijn rapport van 14 augustus 2019 heeft hij de functies van productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), samensteller kunststof en rubberproducten (SBC-code 271130) en medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC‑code 111010) geselecteerd op basis waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene is vastgesteld op 63,86%. Het Uwv heeft vervolgens een gewijzigd standpunt ingenomen, inhoudende dat betrokkene met ingang van 29 september 2015 recht heeft op een WIA‑uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 63,86%.

4.2.

Betrokkene heeft bij brief van 20 september 2019 gereageerd op de FML van 6 augustus 2019 en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 14 augustus 2019. Volgens betrokkene dient de beperking op item 2.8, omgaan met conflicten, toegevoegd te worden omdat deze ook in de FML van het Uwv van 14 december 2015 was opgenomen. Verder heeft betrokkene aangevoerd dat de geselecteerde functies, gelet op de beperking in de FML op item 3.10, specifieke voorwaarden voor de aanpassing aan de fysieke arbeidsomgeving, namelijk prikkelarm, niet alleen ten aanzien van geluid, maar ook ten aanzien van het aantal mensen en (wisselende) lichtintensiteit, niet geschikt zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 30 oktober 2019 een nadere toelichting gegeven op de lichtintensiteit in de geselecteerde functies.

4.3.

De beperkingen van de FML van 6 augustus 2019 komen overeen met de beperkingen die in de FML van Ergatis zijn opgenomen. De in de FML van 14 december 2015 opgenomen beperking op item 2.8 is hierin dus met juistheid niet opgenomen, nog daargelaten dat in de voor betrokkene geselecteerde functies geen sprake is van een kenmerkende belasting op dit onderdeel.

4.4.

Uitgaande van de FML van 6 augustus 2019 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapporten van 14 augustus 2019 en 30 oktober 2019 de signaleringen met betrekking tot de belastende factoren in de functies toegelicht. Over de lichtintensiteit in de geselecteerde functies heeft per functie overleg plaatsgevonden met de arbeidsdeskundig analisten. In de functie productiemedewerker industrie (samenstellen van producten)

(SBC-code 111180) is geen sprake van een fel verlichte ruimte, laaghangende zon en/of lichtflitsen, in de functie samensteller kunststof en rubberproducten (SBC-code 271130) is geen sprake van licht van een laaghangende zon, felle spots of dergelijke en in de functie van medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC-code 111010) is in de kas geen sprake van fel (zon-)licht. De zijramen zijn van matglas en het dak is van helder glas. Wanneer de zon gaat schijnen, wordt automatisch de zonwering over het glas getrokken, zodat het zonlicht wordt gedempt. Deze toelichting is voldoende inzichtelijk en overtuigend.

4.5.

Gelet op wat hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd voor zover het Uwv is opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak. Het besluit van 22 september 2015 zal worden herroepen. Om te komen tot een definitieve beslechting van het geschil, wordt aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat betrokkene vanaf 29 september 2015 recht heeft op een WIA‑uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 63,86%.

5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.312,50 (1 punt voor het verweerschrift, 0,5 punt voor dupliek en 1 punt voor de zitting, ter hoogte van € 525,- per punt).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het Uwv is opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak;

  • -

    herroept het besluit van 22 september 2015;

  • -

    bepaalt dat betrokkene met ingang van 29 september 2015 recht heeft op een WIA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 63,86%;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 14 januari 2016;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 1.312,50;

  • -

    bepaalt dat van het Uwv een griffierecht wordt geheven van € 501,-.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en S. Wijna en G.A.J. van den Hurk als leden, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2020.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) D.S. Barthel