Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:536

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
05-03-2020
Zaaknummer
18/827 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:217, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 3 mei 2016 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. Ook het oordeel van de rechtbank dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling, en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid, worden onderschreven. Het beroep op het arrest Korošec slaagt niet. Appellante heeft in de bezwaarprocedure gebruik gemaakt van de mogelijkheid om nadere stukken in te dienen over haar medische situatie. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat de belasting in de geselecteerde functies de mogelijkheden van appellante niet overschrijdt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 827 WIA

Datum uitspraak: 4 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

12 januari 2018, 17/1457 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2020. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

OVERWEGINGEN

1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als administratief medewerker voor 27 uur per week. Op 8 augustus 2012 heeft appellante zich ziek gemeld met psychische klachten. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellante het spreekuur bezocht van een voor het Uwv werkzame arts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 juni 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 11 juli 2016 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 3 mei 2016 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 22 februari 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 2 januari 2017 en 8 februari 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 21 februari 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd en heeft wat appellante in het bezwaarschrift en tijdens de hoorzitting naar voren heeft gebracht, alsmede informatie uit de behandelend sector, in de beoordeling betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd dat er geen aanleiding was om nader onderzoek te doen naar de handgrepen, omdat uit de brief van de reumatoloog van 4 april 2016 blijkt dat er geen afwijkingen zijn vast te stellen. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat er geen aanleiding was om nader onderzoek te doen naar de duurbelasting. De rechtbank heeft voorts geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. De klachten van appellante waren bekend en zijn door de arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de beoordeling betrokken. Daarbij is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom minder beperkingen zijn aangenomen dan bij een eerdere beoordeling in het kader van de Ziektewet (ZW) en in het bijzonder waarom beperkingen voor de meeste handgrepen bij de WIA-beoordeling niet meer zijn aangenomen. Ook is inzichtelijk gemotiveerd waarom de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid geen aanleiding geeft om meer beperkingen aan te nemen. Het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen heeft de rechtbank afgewezen. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de belasting in de geselecteerde functies de mogelijkheden van appellante niet overschrijdt.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest. Daartoe heeft zij erop gewezen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen lichamelijk onderzoek heeft verricht. Het lichamelijk onderzoek door de primaire arts was volgens appellante te beperkt, omdat geen onderzoek is gedaan naar de duurbelastbaarheid en geen concreet krachtonderzoek is verricht. Verder is appellante van mening dat in verband met haar psychische en lichamelijke klachten meer beperkingen hadden moeten worden weergegeven in de FML van 20 juni 2016. Net als bij de eerdere beoordeling in het kader van de ZW hadden verdergaande beperkingen moeten worden aangenomen voor het hand- en vingergebruik. Daarbij heeft appellante erop gewezen dat zij inmiddels ook aan de linkerhand een pols- en duimbrace draagt. Ook heeft zij erop gewezen dat vanuit de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) wekelijks zeven uur ondersteuning bij huishoudelijke taken en administratie wordt geboden. Aan het rapport van Salude van

25 november 2016 is volgens appellante te weinig waarde gehecht. Het rapport van mevrouw Gizeh van Instituut Psychosofia van 1 november 2016 is in het geheel niet in de beoordeling betrokken. Met een beroep op het in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, zaaknummer 77212/12, Korošec) genoemde beginsel van “equality of arms” heeft appellante verzocht om benoeming van een deskundige. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd haar mogelijkheden overschrijden.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Omdat op de FML van 20 juni 2016 een onjuiste ingangsdatum was vermeld, is op 24 mei 2018 een FML opgesteld die geldig is vanaf 3 mei 2016. In een rapport van 24 mei 2018 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid hierdoor niet wijzigt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 3 mei 2016 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen.

4.3.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. De overwegingen van de rechtbank die tot dit oordeel hebben geleid, worden onderschreven. Benadrukt wordt dat appellante tijdens het spreekuur psychisch en lichamelijk is onderzocht. De arts heeft ook informatie opgevraagd bij de behandelend sector. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de dossiergegevens en bezwaargronden, inclusief het rapport van mevrouw [naam] , bestudeerd en de hoorzitting bijgewoond. Ook heeft hij de medische informatie die door het Uwv is verkregen en de informatie die door appellante is ingediend in zijn beoordeling betrokken. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen volledig beeld hadden van de medische situatie van appellante op de datum in geding. De stelling van appellante dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was omdat de arts de kracht en duurbelastbaarheid niet verder heeft onderzocht, wordt niet gevolgd. Volgens vaste rechtspraak is de duur en omvang van het lichamelijk onderzoek niet doorslaggevend voor de vraag of het medisch onderzoek zorgvuldig was (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 2 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:16). Evenmin geeft het feit dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen lichamelijk onderzoek heeft verricht aanleiding om te oordelen dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 14 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3720).

4.4.

Ook het oordeel van de rechtbank dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling, en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid, worden onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat in het rapport van 24 april 2018 door een verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk is toegelicht dat de medische situatie van appellante op de datum in geding anders was dan ten tijde van de eerdere beoordeling in het kader van de ZW. Zij heeft er daarbij op gewezen dat bij de eerdere beoordeling sprake was van een duidelijke overbelasting van de pees waarbij een gipsspalk werd geïndiceerd. Pols- en duimbewegingen waren daardoor niet mogelijk. Op de datum in geding was er geen indicatie meer voor het gebruik van een gipsspalk en was het dus niet langer onmogelijk om de pols en duim te bewegen. Er was volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen indicatie om permanent braces te dragen. Wat appellante hierover heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de toelichting door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Verder kan aan het rapport van Salude niet de waarde worden toegekend die appellante wenst. In het rapport van 24 april 2018 heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep er terecht op gewezen dat dit rapport is opgesteld in het kader van de Participatiewet en daaraan dus een ander beoordelingskader ten grondslag ligt dan aan een beoordeling van de arbeids(on)geschiktheid in het kader van de Wet WIA. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er verder terecht op gewezen dat het rapport van Salude geen onderzoeksgegevens bevat en de in dat rapport gestelde conclusies over de belastbaarheid niet zijn onderbouwd aan de hand van objectieve medische gegevens. Het feit dat aan appellante voorzieningen zijn toegekend op grond van de WMO geeft evenmin aanleiding om aan te nemen dat zij verdergaand beperkt had moeten worden geacht. Ook hiervoor geldt een ander beoordelingskader. Bovendien heeft appellante geen stukken overgelegd waaruit blijkt op basis van welke medische gegevens de voorzieningen zijn toegekend.

4.5.

Het beroep op het arrest Korošec slaagt niet. Appellante heeft in de bezwaarprocedure gebruik gemaakt van de mogelijkheid om nadere stukken in te dienen over haar medische situatie. Deze (medische) stukken zijn naar hun aard geschikt en vormen een redelijke mogelijkheid voor appellante om de bestuursrechter van haar standpunt te overtuigen. De ingediende stukken zijn kenbaar betrokken bij de beoordeling van de arbeidsmogelijkheden van appellante. Er zijn geen aanwijzingen dat medische informatie ontbreekt. Daarmee is in dit geval voldaan aan het vereiste van een gelijke procespositie. Uit het arrest Korošec volgt niet dat de rechter uit een oogpunt van “equality of arms” gehouden zou zijn een medisch deskundige te benoemen in een situatie als hier aan de orde, waarin de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk de informatie van de behandelend artsen in zijn beoordeling heeft betrokken, zodat deze door de rechter kan worden getoetst.

4.6.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat de belasting in de geselecteerde functies de mogelijkheden van appellante niet overschrijdt. In het rapport van 24 mei 2018 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep inzichtelijk toegelicht dat de wijziging van de ingangsdatum van de FML geen gevolgen heeft voor de functieduiding.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Bij deze uitkomst wordt het verzoek om veroordeling van het Uwv tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2020.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) R.H Koopman