Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:531

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
09-03-2020
Zaaknummer
19/2409 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boete in verband met niet melden inkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2020/115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2409 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 3 maart 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 17 mei 2019, 19/487 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft van 31 mei 2017 tot en met 31 januari 2018 bijstand ingevolge de Participatiewet ontvangen. Appellant ontving over de maand december 2017 bijstand onder verrekening van inkomsten. Uit door het college bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen opgevraagde gegevens is naar voren gekomen dat appellant in januari 2018 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) heeft ontvangen over december 2017. Appellant heeft daarvan geen opgave gedaan bij het college.

1.2.

Bij besluit van 9 augustus 2018 heeft het college de bijstand herzien over december 2017 en een bedrag van € 248,81 aan ten onrechte verstrekte bijstand over die maand van appellant teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 4 september 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 januari 2019 (bestreden besluit), heeft het college aan appellant een bestuurlijke boete opgelegd van € 124,41. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door de betaling van de WW-uitkering niet te melden. Het college is daarbij uitgegaan van normale verwijtbaarheid en heeft de boete vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag. Niet gebleken is van bijzondere omstandigheden of dringende redenen op grond waarvan de boete verder zou moeten worden gematigd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat hij wel alle relevantie informatie tijdig heeft doorgegeven aan het college, zodat hem ten onrechte een boete is opgelegd. Ook is de opgelegde boete te hoog.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Uit 1.1 volgt dat het college heeft aangetoond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de ontvangen WW-uitkering in januari 2018 van € 248,81 over de maand december 2017. Appellant kan worden verweten dat hij enkel zijn inkomsten uit arbeid heeft opgegeven en de betaling van de WW-uitkering niet heeft gemeld. Het college was daarom verplicht een boete op te leggen. De opgelegde boete van € 124,41 is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige omstandigheden van appellant.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner, in tegenwoordigheid van L. Hagendijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2020.

(getekend) M.F. Wagner

(getekend) L. Hagendijk