Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:530

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
09-03-2020
Zaaknummer
17/6860 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijzondere bijstand voor lensimplantaten. ZVW is voorliggende voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6860 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 3 maart 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 september 2017, 17/3799 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2019. Namens appellante is verschenen mr. De Witte. Het college is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op 29 december 2016 een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) ingediend voor de kosten van een torische implantlens van € 700,-die bij een oogoperatie wordt ingebracht.

1.2.

Bij besluit van 17 januari 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 mei 2017 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat geen recht op bijzondere bijstand bestaat, omdat voor de gevraagde kosten sprake is van een voorliggende voorziening die passend en toereikend is als bedoeld in artikel 15 van de PW, te weten de Zorgverzekeringswet (Zvw). Voor zover de ziektekostenverzekering de kosten niet vergoedt, worden deze kosten als niet noodzakelijk aangemerkt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat de operatie aan haar ogen medisch noodzakelijk is en dat de kosten van de behandeling wel door de zorgverzekeraar worden vergoed, echter de kosten voor torische implantlenzen niet. Omdat appellante een cilindrische afwijking heeft, heeft zij meer baat bij een torische implantlens en moet deze lens als noodzakelijk worden beschouwd. De aanvraag om bijzondere bijstand is dan ook ten onrechte afgewezen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de Zvw en de daarop gebaseerde regelgeving voor de kosten van (para)medische zorg in dit geval als een aan de PW voorliggende, toereikende en passende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de PW moeten worden beschouwd. Hieraan voegt de Raad toe dat in deze regelgeving een bewuste keuze is gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van de kosten. De omstandigheid dat appellante een torische implantlens in plaats van een mono focale standaard kunstlens belangrijk vindt, omdat dit type lens haar zicht wezenlijk kan verbeteren zodat zij geen bril hoeft te dragen, kan niet leiden tot toekenning van (aanvullende) bijzondere bijstand, omdat artikel 15, eerste lid, van de PW hieraan in de weg staat.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner, in tegenwoordigheid van L. Hagendijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2020.

(getekend) M.F. Wagner

(getekend) L. Hagendijk