Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:526

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
23-03-2020
Zaaknummer
17/5603 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:5067, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Geen sprake van duurzaam gescheiden leven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2020/113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5603 PW, 17/5605 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van

3 juli 2017, 16/3849 (aangevallen uitspraak 1) en 16/3674 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland (college)

[betrokkene Y] (betrokkene Y)

[betrokkene X] te [woonplaats] (betrokkene X)

Datum uitspraak: 3 maart 2020

PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroepen ingesteld.

Namens betrokkene Y heeft mr. J.K.S. Verhoek, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Namens betrokkene X heeft mr. A.C. van ‘t Hek, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgehad op 21 januari 2020. Betrokkene Y is verschenen, bijgestaan door mr. Verhoek. Betrokkene X is verschenen, bijgestaan door mr. Van ’t Hek. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Blok.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkenen, die in 1996 zijn gehuwd, ontvingen sinds 4 maart 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor gehuwden. Betrokkenen waren samen met hun vijf kinderen woonachtig op het adres [adres 1] (uitkeringsadres). Op 30 december 2013 zijn betrokkenen van tafel en bed gescheiden. Omdat betrokkene X op dat moment nog geen andere woning had, heeft het college de bijstand naar de norm voor gehuwden ongewijzigd voortgezet. Tijdens een gesprek in september 2014 met een medewerker van de gemeente Lansingerland heeft betrokkene X verklaard dat hij met ingang van 18 september 2014 een nieuwe woonruimte heeft. Het college heeft vervolgens het recht op bijstand van betrokkenen naar de norm voor gehuwden beëindigd en aan betrokkene Y met ingang van 19 september 2014 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder toegekend.

1.2.

In maart 2015 heeft betrokkene X een aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet (PW) ingediend. Bij die aanvraag heeft betrokkene X opgegeven dat hij met zijn twee oudste zoons woont op het adres [adres 2] (adres van betrokkene X). Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een consulent van de gemeente Lansingerland geprobeerd op 28 mei 2015 een onaangekondigd huisbezoek af te leggen aan de woning op het adres van betrokkene X. Betrokkene X werd toen niet thuis aangetroffen. Vervolgens heeft de consulent een huisbezoek afgelegd aan het uitkeringsadres. Betrokkene Y en X waren beiden op dit adres aanwezig. Naar aanleiding daarvan is een handhavingsspecialist van de gemeente Lansingerland een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. In dat kader heeft de handhavingsspecialist onder meer buren van het uitkeringsadres en het adres van betrokkene X als getuigen gehoord en in de periode van 30 september 2015 tot en met 2 oktober 2015 waarnemingen verricht nabij het uitkeringsadres. Verder heeft de handhavingsspecialist op

8 oktober 2015 met betrokkenen afzonderlijk gesprekken gevoerd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 22 oktober 2015.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 5 november 2015, voor zover hier van belang en na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

4 mei 2016 (bestreden besluit 1), de bijstand van betrokkene Y met ingang van 19 september 2014 in te trekken en de over de periode van 19 september 2014 tot 1 oktober 2015 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 14.019,21 van haar terug te vorderen. Aan bestreden besluit 1 heeft het college ten grondslag gelegd dat betrokkene Y de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de omstandigheid dat zij niet duurzaam gescheiden leefde van betrokkene X en zij daarom niet als zelfstandig subject van bijstand kan worden aangemerkt.

1.4.

Het college heeft tevens aanleiding gezien om bij besluit van 12 november 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 mei 2016 (bestreden besluit 2), de over de periode van 19 september 2014 tot en met 1 oktober 2015 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 13.826,78 mede van betrokkene X terug te vorderen.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van betrokkene Y tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 5 november 2015 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit 1. De rechtbank heeft aan dit oordeel, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Hoewel op basis van de verklaringen die betrokkenen hebben afgelegd het vermoeden bestaat dat betrokkene X in de periode van 19 september 2014 tot en met 5 november 2015 regelmatig op het uitkeringsadres kwam, zijn de onderzoeksbevindingen van het college onvoldoende om te concluderen dat betrokkenen in die periode niet duurzaam gescheiden van elkaar leefden. Daarbij is vooral van betekenis dat het college niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de frequentie en de duur is van de bezoeken van betrokkene X aan betrokkene Y en hoe vaak zij gezamenlijk boodschappen hebben gedaan. Betrokkene X is slechts éénmaal op het uitkeringsadres aangetroffen en in de periode waarin waarnemingen zijn verricht is betrokkene X noch zijn auto waargenomen nabij het uitkeringsadres. Voorts is van belang dat betrokkenen samen vijf kinderen hebben, waarvan de jongste ten tijde hier van belang drie jaar oud was. Gelet op de omstandigheid dat in het ouderschapsplan van betrokkenen is opgenomen dat het contact met de kinderen en de ouders zo min mogelijk door de scheiding dient te worden beïnvloed, kan uit het regelmatige contact tussen betrokkenen en het samen vieren van het Suikerfeest en het Offerfeest niet zonder meer worden afgeleid dat zij niet duurzaam gescheiden leefden. Om die reden kan ook aan de verklaringen van buren dat zij betrokkene X regelmatig op het uitkeringsadres zien niet de waarde worden gehecht die het college daaraan gehecht wenst te zien.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank ook het beroep van betrokkene X tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 12 november 2015 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit 2. Voor de motivering heeft de rechtbank verwezen naar aangevallen uitspraak 1.

3. In de hoger beroepen heeft het college zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt voor betrokkene Y van 19 september 2014, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 5 november 2015, de datum van het besluit tot intrekking, en voor betrokkene X van 19 september 2014 tot 1 oktober 2015 (te beoordelen periodes).

4.2.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de PW wordt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is aangemerkt als ongehuwd.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 25 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2918) leven echtgenoten pas duurzaam gescheiden, als beiden of één van hen het echtelijk samenleven wil verbreken, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt alsof hij niet met de ander gehuwd is en dit door ten minste één van beiden als blijvend is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit concrete feiten en omstandigheden.

4.3.

Het besluit tot intrekking van bijstand en het besluit de bijstand (mede) terug te vorderen zijn belastende besluiten, waarbij het aan de bijstandverlenende instantie is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en (mede) terugvordering is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie rust.

4.4.

In de hoger beroepen heeft het college aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat betrokkenen in de te beoordelen periodes niet duurzaam gescheiden van elkaar leefden. Het college heeft, samengevat, betoogd dat het niet noodzakelijk is dat de exacte duur en frequentie van de bezoeken door betrokkene X aan betrokkene Y of het precieze aantal keer dat zij samen boodschappen hebben gedaan inzichtelijk wordt gemaakt. Uit de onderzoeksbevindingen blijkt dat betrokkene X veelvuldig op het uitkeringsadres is, betrokkenen elkaar ondersteunen door boodschappen en betalingen voor elkaar te doen, betrokkenen samen feestdagen vieren en betrokkenen intensief contact onderhouden.

4.5.

Betrokkenen hebben, kort samengevat, aangevoerd dat zij wel duurzaam gescheiden van elkaar leven, zij alleen contact onderhielden over de opvoeding en verzorging van hun kinderen en zij alleen in dat kader gezamenlijk activiteiten hebben verricht.

4.6.1.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld bieden de onderzoeksbevindingen voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat betrokkenen in de te beoordelen periodes niet duurzaam gescheiden van elkaar leefden. Dat is alleen al het geval op basis van de verklaringen die betrokkenen op 8 oktober 2015 hebben afgelegd.

4.6.2.

Tijdens het gesprek op 8 oktober 2015 heeft betrokkene Y op de vraag hoe vaak betrokkene X bij haar langskomt geantwoord dat dit één tot twee keer per week is, hij dan haar woning binnenkomt, hij bij haar thee drinkt en hij soms blijft eten. Betrokkene Y heeft verder verklaard dat zij de was voor betrokkene X deed, omdat hij geen wasmachine heeft, maar zij dat de laatste maanden niet meer doet, omdat betrokkene X boos is. Op de vraag of zij weleens de woning van betrokkene X schoonmaakt, heeft betrokkene Y geantwoord dat zij dit één keer na een feestje van haar zoon heeft gedaan. Verder heeft betrokkene Y verklaard dat zij eerst samen met betrokkene X boodschappen deed, maar dat zij met haar zoon boodschappen doet sinds hij in juli (lees: 2015) zijn rijbewijs heeft gehaald. Op de vraag of betrokkene X aanwezig is op het uitkeringsadres als betrokkene Y visite ontvangt of als zij haar verjaardag viert, heeft betrokkene Y bevestigend geantwoord. Betrokkene Y heeft ook verklaard dat zij en betrokkene X samen met hun kinderen het Suikerfeest en het Offerfeest hebben gevierd. Op de vraag of betrokkene X haar helpt als zij ziek is, heeft betrokkene Y geantwoord dat dit af en toe het geval is en toegelicht dat betrokkene X, toen zij in april (lees: 2015) ziek terugkwam uit Afghanistan, dagelijks langskwam op het uitkeringsadres en hij toen heeft gekookt, gestofzuigd en andere huishoudelijke taken heeft verricht. Op de vraag of betrokkene Y betrokkene X verzorgt bij ziekte, bijvoorbeeld na zijn recente knieoperatie, heeft betrokkene Y geantwoord dat zij toen voor hem heeft gekookt en het eten naar hem heeft toegestuurd.

4.6.3.

Betrokkene X heeft tijdens het met hem gevoerde gesprek op 8 oktober 2015 onder meer verklaard dat hij wisselend op het uitkeringsadres komt. Hij komt er de ene week helemaal niet en de andere week één tot drie keer. Betrokkene X heeft daarbij te kennen gegeven dat hij weleens op het uitkeringsadres blijft eten. Verder heeft betrokkene X verklaard dat hij wel eens boodschappen doet voor de woning op het uitkeringsadres. Hij doet dit soms twee of drie keer per week en soms niet. Op de vraag of betrokkenen weleens samen boodschappen doen, heeft betrokkene X geantwoord dat zij dat soms doen en dat betrokkene Y haar boodschappen in beginsel zelf betaalt, maar dat hij ook weleens betaalt als zij geen geld heeft. Betrokkene X heeft verder nog verklaard dat hij meestal op het uitkeringsadres aanwezig is als betrokkene Y visite ontvangt of een verjaardag viert. Op de vraag of betrokkene X betrokkene Y zou verzorgen bij ziekte, heeft betrokkene X geantwoord dat hij dit zou doen als betrokkene Y daarom vraagt.

4.7.

Het betoog van betrokkenen dat zij uitsluitend contact onderhielden voor de gezamenlijke zorg voor hun kinderen en zij voor hun kinderen gezamenlijke activiteiten hebben verricht, vormt geen aanleiding voor een ander oordeel. Uit de onder 4.6.2 en 4.6.3 weergegeven verklaringen van betrokkenen blijkt van verdergaand contact tussen betrokkenen dan alleen contact over de zorg en opvoeding van hun kinderen. Bovendien zijn de omstandigheden die tot een bepaalde leefvorm hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang voor de beoordeling of sprake is van duurzaam gescheiden leven.

4.8.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat betrokkenen gedurende de hier te beoordelen periodes niet duurzaam gescheiden hebben geleefd. Dit betekent dat zij in die periodes als een gezin als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder c, van de PW moeten worden beschouwd, waardoor betrokkene Y niet als een zelfstandig subject van bijstand kon worden aangemerkt.

4.9.

Uit 4.6 tot en met 4.8 volgt dat de hoger beroepen van het college slagen, zodat de aangevallen uitspraken 1 en 2 moeten worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- vernietigt de aangevallen uitspraken;

- verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en W.F. Claessens en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2020.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) S.H.H. Slaats

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.