Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:525

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
09-03-2020
Zaaknummer
17/4125 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen bijstand in verband met in de woning van appellante aangetroffen hennepkwekerij. Geen geslaagd beroep op de onschuldpresumptie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2020/78
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 april 2017,16/3768 (aangevallen uitspraak)


Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

datum uitspraak: 3 maart 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T. de Heer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2020. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 18/6409 PW. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Heer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. Versneij en J.A. Flapper. In de zaak 18/6409 PW is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 31 oktober 2013 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

De politie Midden-Nederland (politie) heeft op 15 februari 2016 op de zolder van de door appellante gehuurde woning (uitkeringsadres) een hennepplantage aangetroffen met 50 hennepplanten van ongeveer tien centimeter hoog. De politie heeft op 16 februari 2016 een proces-verbaal “Aantreffen hennepkwekerij” opgemaakt en een rapport “Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij”. Op grond van de op 15 februari 2016 aangetroffen situatie heeft de politie vastgesteld dat de aangetroffen hennepplanten een à twee weken oud waren en dat er aanwijzingen waren voor een eerdere oogst. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op € 4.165,80 en de ontnemingsperiode op de periode van 23 november 2015 tot 15 februari 2016. Appellante en haar ex-partner (S) zijn als verdachten van het overtreden van de Opiumwet aangehouden.

1.3.

Naar aanleiding van de informatie van de politie heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek gedaan, bij verschillende instanties gegevens opgevraagd, een huisbezoek gebracht aan het uitkeringsadres en appellante en S gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 8 juni 2016 (rapport).

1.4.

Het college heeft naar aanleiding van deze bevindingen bij besluit van 13 juli 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van eveneens 13 juli 2016 (bestreden besluit), de bijstand van appellante over de periode van 23 november 2015 tot en met 14 februari 2016 ingetrokken en de over deze periode aan appellante verleende bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 972,70 netto. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante in strijd met haar inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt van de hennepkwekerij op het uitkeringsadres. Daardoor heeft het college het recht op bijstand niet kunnen vaststellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis en feiten moet verzamelen.

4.2.

Appellante betwist niet dat op 15 februari 2016 op de zolder van het uitkeringsadres een hennepkwekerij is aangetroffen met 50 hennepplanten en dat zij van deze hennepkwekerij geen melding heeft gedaan bij het college. Appellante betwist echter dat zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden omdat zij geen weet had van de hennepkwekerij.

4.3.

Uit vaste rechtspraak, bijvoorbeeld de uitspraken van 16 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1384 en 19 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3661, volgt dat het aantreffen van een hennepkwekerij in de woning van een betrokkene de vooronderstelling rechtvaardigt dat de betrokkene (mede)exploitant van de hennepkwekerij is en dat de opbrengst (ook) betrokkene ten goede is gekomen.

4.4.

Deze vooronderstelling is een (bewijs)vermoeden dat weerlegbaar is. Betrokkene kan zich hiertegen verweren door de feiten en de omstandigheden te betwisten die aan de vooronderstelling ten grondslag zijn gelegd, of door andere feiten te stellen die het in de vooronderstelling besloten vermoeden ontzenuwen.

4.5.

Appellante is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat in haar geval de vooronderstelling uit 4.3 en 4.4 niet opgaat. Haar stelling dat zij geen wetenschap had van de hennepkwekerij en dat S in het weekend voor de ontmanteling op maandag 15 februari 2016 tijdens haar afwezigheid de hennepkwekerij in haar woning moet hebben opgezet, is daarvoor onvoldoende. Uit de hierna te bespreken bevindingen over de periode waarin de hennepkwekerij op het uitkeringsadres is geëxploiteerd volgt dat de hennepkwekerij al eerder dan het weekend voorafgaande aan het aantreffen van de hennepkwekerij moet zijn opgezet. Appellante heeft haar stelling verder met geen enkel objectief gegeven onderbouwd. De verklaringen van haar dochters bieden hiervoor ook geen objectieve aanknopingspunten.

4.6.

De beroepsgrond dat niet is komen vast te staan dat de hennepkwekerij ook al van 23 november 2015 tot 15 februari 2016 op het uitkeringsadres aanwezig was, slaagt evenmin. De op 15 februari 2016 aangetroffen hennepplanten waren een à twee weken oud en in de kweekruimte zijn indicatoren aangetroffen die duiden op in ieder geval één eerdere hennepoogst. De eerdere oogst is onder meer gebaseerd op aangetroffen hennepafval in een vuilniszak in de kweekruimte, kalkafzetting op de aangetroffen potten met aarde, aangetroffen vijverfolie met een op kalk gelijkende afzetting, de mate van vervuiling van het filterdoek van de koolstoffilters, de vervuiling van de assimilatielampen door stof en de resten van hennep op de knipscharen in de kweekruimte. Gelet op een gemiddelde kweekcyclus van tien weken en een kweekperiode van twee weken van de op 15 februari 2016 aangetroffen hennepplanten, heeft het college terecht geconcludeerd dat de hennepkwekerij twaalf weken in bedrijf is geweest en moet ervan worden uitgegaan dat in de periode van 23 november 2015 tot 15 februari 2016 werkzaamheden voor de hennepkwekerij zijn verricht.

4.7.

Uit 4.5 en 4.6 volgt dat het college aan de in 4.1 vermelde bewijslast heeft voldaan en appellante geacht wordt (mede)exploitant te zijn geweest van de hennepkwekerij die in de periode van 23 november 2015 tot 15 februari 2016 aanwezig was in haar woning en dat de opbrengst (ook) haar ten goede is gekomen. Nu appellante het college daarover niet heeft ingelicht was het college verplicht de bijstand van appellante over deze periode in te trekken. Tegen de terugvordering heeft appellante geen aparte gronden aangevoerd, zodat deze geen bespreking behoeft.

4.8.

Appellante heeft in hoger beroep het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 augustus 2018 in de ontnemingszaak overgelegd. Het hof heeft de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen omdat niet is komen vast te staan dat appellante uit de enkele aanwezigheid van hennepplanten aantoonbaar wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Daarbij wijst het hof op zijn arrest van dezelfde datum waarbij appellante is vrijgesproken van het telen van de aanwezige hennepplanten. Laatstgenoemd arrest heeft appellante niet overgelegd. Door te verwijzen naar deze vrijspraak heeft appellante, zoals ter zitting nader toegelicht, bedoeld een beroep te doen op de onschuldpresumptie, zoals gewaarborgd bij artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

4.8.1.

Voor een geslaagd beroep op de onschuldpresumptie moet een betrokkene allereerst stellen en bewijzen dat een voldoende verband bestaat tussen de strafrechtelijke procedure en de latere bejegening door een bestuurlijke autoriteit of de latere gerechtelijke procedure (vergelijk de uitspraken van 7 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2398 en 23 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1449). Indien een voldoende verband bestaat tussen de strafrechtelijke procedure, die heeft geleid tot het arrest, en de bestuursrechtelijke procedure waarin de intrekking en terugvordering van bijstand ter beoordeling staan, is het volgende van belang. De rechterlijke autoriteiten dienen door hun optreden, de motivering van hun beslissing of de gebruikte bewoordingen geen twijfel te doen ontstaan over de juistheid van de vrijspraak van wat de betrokkene in de strafzaak werd verweten. Zij dienen zich te onthouden van strafrechtelijke karakterisering van de gedraging van de betrokkene en hun eigen forum niet te buiten gaan.

4.8.2.

In dit geval heeft het hof in het arrest in de ontnemingszaak alleen de volgende overweging gewijd aan de vrijspraak:

(…) “De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 8 augustus 2018 (vermelding
parketnummer) ter zake van het aanwezig hebben van 40 hennepplanten veroordeeld tot
een taakstraf. Veroordeelde is door het hof vrijgesproken van het telen van die
hennepplanten.”

Hieruit kan niet worden afgeleid van welk strafbaar feit, waarop de vrijspraak ziet, appellante werd verdacht, op welke periode dit zag en wat de redenen voor de vrijspraak zijn geweest. Het staat wel vast dat in de strafrechtelijke procedure andere rechtsvragen voorlagen en andere bewijsregels van toepassing waren dan in de onderhavige procedure. In de strafzaak ging het om een delict dat is strafbaar gesteld in de Opiumwet en maakte opzet als element deel uit van het aan appellante ten laste gelegde feit waarvan zij door de strafrechter is vrijgesproken. Die opzet diende onder andere te zijn gericht op het telen van hennep. In de onderhavige zaak gaat het erom of appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de aanwezigheid van de in haar woning aangetroffen hennepkwekerij. Hieruit volgt dat niet kan worden vastgesteld dat het bestreden besluit in strijd met artikel 6, tweede lid, van het EVRM, twijfel oproept over de juistheid van de gronden van de vrijspraak. Dat appellante, zoals zij ter zitting uiteen heeft gezet, het arrest van het hof waarin tot vrijspraak is geoordeeld niet heeft overgelegd, omdat daarin privacygevoelige informatie was opgenomen, komt voor haar eigen risico.

4.8.3.

Het arrest van het hof over de afwijzing van de ontnemingsvordering is geen vrijspraak door een strafrechter. Ook om die reden faalt het beroep van appellante op de onschuldpresumptie (vergelijk de uitspraak van 20 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3795).

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en G.M.G. Hink en P.J. Huisman als leden, in tegenwoordigheid van V.Y. van Almelo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2020.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) V.Y. van Almelo