Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:511

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2020
Datum publicatie
03-03-2020
Zaaknummer
19/939 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om verlenging van de aanstelling als reservemilitair. Niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die het terugkomen van eerdere, in rechte vaststaande besluitvorming ter zake de ontslagdatum en het ontslag kunnen rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 939 MAW

Datum uitspraak: 28 februari 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

23 januari 2019, 18/1321 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Kroon, vertegenwoordigd door de staatssecretaris van Defensie (Kroon)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.J.M. Kobossen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2020. Appellant en

mr. Kobossen zijn, met voorafgaande kennisgeving aan de Raad, niet verschenen. De Kroon heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.I. Biharie-Pronk en mr. Y. Pennings.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was bij het ministerie van Defensie aangesteld als [functie 1], laatstelijk geplaatst in de functie van [functie 2] van het Commando Landstrijdkrachten. Aan appellant zou vanwege het bereiken van de leeftijd van 60 jaar per 1 februari 2016 ontslag worden verleend uit de militaire dienst. Echter, bij nota van 1 februari 2016 heeft de Commandant Divisie Personeel & Organisatie Defensie na een daartoe strekkend verzoek van appellant, toestemming verleend om na te dienen van 1 februari 2016 tot 1 februari 2017, onder de voorwaarde dat gedurende die periode in opvolging wordt voorzien en de opvolger(s) worden ingewerkt. Daarbij is vermeld dat de periode van nadienen onder geen beding zal worden verlengd.

1.2.

Bij besluit van 11 februari 2016 is de ontslagdatum, onvoorziene omstandigheden

voorbehouden, nader vastgesteld op 31 januari 2017. Bij koninklijk besluit van

6 december 2016 is aan appellant per 1 februari 2017 eervol ontslag verleend op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 41, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR). Tegen deze besluiten is geen bezwaar gemaakt, zodat deze in rechte vaststaan.

1.3.

Appellant heeft bij e-mailbericht van 20 januari 2017 verzocht om verlenging van zijn

aanstelling als reservemilitair. Bij besluit van 21 maart 2017, na bezwaar gehandhaafd bij het namens de Kroon genomen besluit van de staatssecretaris van 16 januari 2018 (bestreden besluit), is dit verzoek afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht omdat, kort gezegd, niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die het terugkomen van eerdere, in rechte vaststaande besluitvorming ter zake de ontslagdatum en het ontslag kunnen rechtvaardigen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit

ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het primaire besluit niet door de Kroon en dus onbevoegd genomen is, maar dat dit niet betekent dat dit besluit geen rechtsgevolg heeft gehad. Het bestreden besluit is bevoegd genomen, nu de Kroon de staatssecretaris daartoe op 8 januari 2018 schriftelijk had gemachtigd. Daarmee is het bevoegdheidsgebrek dat aan het primaire besluit kleefde hersteld. De staatssecretaris mocht appellant zijn verzoek om terug te komen op in rechte onaantastbare besluitvorming, onder verwijzing daarnaar afwijzen, nu geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Voor het oordeel dat het bestreden besluit als evident onredelijk is te beschouwen, ziet de rechtbank geen reden.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt vast dat appellant in hoger beroep in essentie de door hem in beroep aangevoerde gronden heeft herhaald. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak in voldoende mate aan de orde gesteld en gemotiveerd verworpen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen en maakt die tot de zijne. Hieraan voegt de Raad nog toe dat het koninklijk besluit van 6 december 2016 tot het ontslag van appellant, in rechte vaststaat. Dat appellant bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 21 maart 2017, heeft zijn positie dus niet benadeeld. Van overtreding van het verbod op reformatio in peius als gesteld door appellant is geen sprake.

4.2.

Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van L.R. Daman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2020.

(getekend) J.J.T van den Corput

(getekend) L.R. Daman