Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:494

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2020
Datum publicatie
02-03-2020
Zaaknummer
16/7656 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Het rapport van de door de Raad geraadpleegde deskundige geeft weliswaar blijk van een zorgvuldig onderzoek, maar de deskundige heeft niet voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat er een objectief medische noodzaak is voor het aannemen van aanvullende beperkingen in de FML van 19 februari 2016. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder op overtuigende wijze uiteengezet waarom op de datum in geding geen sprake was van een situatie van geen benutbare mogelijkheden en er evenmin reden was om voor appellante een urenbeperking aan te nemen. Uitgaande van de juistheid van de FML van 19 februari 2016 worden de geselecteerde functies, gelet op de daaraan verbonden belasting, in medisch opzicht geschikt geacht voor appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7656 ZW

Datum uitspraak: 27 februari 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
4 november 2016, 16/1751 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K. Aslan, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2018. Appellante is ter zitting vertegenwoordigd door mr. Aslan. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
M.K. Affia.

Het onderzoek is heropend na de zitting, waarna de Raad psychiater I.S. Hernandez‑Dwarkasing als deskundige heeft benoemd voor het instellen van een onderzoek.

De deskundige heeft op 19 april 2019 een rapport uitgebracht. Appellante en het Uwv hebben hun zienswijzen daarover naar voren gebracht.

De deskundige heeft een aanvullende reactie gegeven, die op 30 september 2019 is ingekomen. Appellante en het Uwv hebben hierop gereageerd.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerker. Op 2 april 2015 heeft zij zich ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. Haar dienstverband is op 20 april 2015 geëindigd. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een arts van het Uwv appellante op 18 februari 2016 gezien. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 februari 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet in staat is haar eigen werk te verrichten, vervolgens zeven functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante nog 100% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 16 maart 2016 vastgesteld dat appellante met ingang van 1 mei 2016 (datum in geding) geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 2 juni 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de FML van 19 februari 2016. Appellante heeft geen medische informatie overgelegd op grond waarvan moet worden aangenomen dat de verzekeringsartsen haar fysieke beperkingen hebben onderschat. De behandelend psychiater van appellante, W. Verheul, heeft de door haar gestelde diagnoses niet onderbouwd, terwijl het functioneren en de presentatie van appellante tijdens het spreekuur geen aanleiding geven om een ernstig psychiatrisch ziektebeeld aan te nemen. Voor de psychische klachten van appellante zijn beperkingen aangenomen in de rubrieken 1 en 2 van de FML. Er bestaat geen aanleiding voor het aannemen van een urenbeperking. De rechtbank ziet gelet hierop geen aanleiding voor het inschakelen van een deskundige.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij meer beperkt is dan het Uwv in de FML van 19 februari 2016 heeft aangenomen. Haar psychische klachten zijn onderschat, omdat er ten onrechte geen beperkingen zijn aangenomen op, onder meer, de aspecten 1.1 en 1.2. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante gewezen op de brieven van psychiater Verheul van 8 augustus 2016 en 5 april 2017, waarin deze de diagnoses PTSS, paniekstoornis met agorafobie en ernstige depressieve stoornis heeft gesteld. Ook heeft het Uwv de fysieke beperkingen die appellante ten gevolge van haar rugklachten, endometriose en een vleesboom ondervindt, onderschat. Uit de door appellante ingebrachte informatie van neurochirurg
M.J. Driesse van 29 maart 2018 blijkt dat haar rugklachten verband houden met een in maart 2018 vastgestelde hernia. Appellante claimt ten slotte niet te beschikken over benutbare mogelijkheden dan wel een urenbeperking op energetische gronden.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4.1.

Gelet op de standpunten van partijen en de voorhanden zijnde medische gegevens, waaruit verschil van inzicht blijkt over de (ernst van de) bij appellante op de datum in geding aanwezige psychische stoornissen en de daaruit voortvloeiende beperkingen, heeft de Raad aanleiding gezien psychiater I.S. Hernandez-Dwarkasing als deskundige te benoemen.

4.2.

In haar rapport heeft de deskundige geconcludeerd dat bij appellante sprake is van een depressieve stoornis (eenmalig, matig van ernst), een paniekstoornis, agorafobie en PTSS. De deskundige acht het aannemelijk dat ook op de datum in geding sprake was van deze stoornissen. Zij heeft zich niet geheel kunnen verenigen met de door de verzekeringsarts in de FML van 19 februari 2016 vastgestelde beperkingen. De deskundige heeft beperkingen voorgesteld op de aspecten 1.1 (het vasthouden van aandacht), 1.2 (het verdelen van aandacht) en 1.3 (herinneren) van de FML. Ook acht de deskundige aannemelijk dat appellante op de datum in geding vanuit psychiatrisch perspectief niet volledig inzetbaar was voor arbeid, zodat de noodzaak voor een op te leggen urenbeperking aannemelijk was. Gezien de aard van de psychiatrische problematiek waarvan op de datum in geding sprake was, kan volgens de deskundige worden aangenomen dat appellante op de datum in geding in het geheel niet in staat was om te werken. Er was sprake van cognitieve beperkingen. Bovendien was appellante, doordat zij een continu gevoel van spanning ervaarde als zij zich buiten de deur begaf, niet in staat op een adequate wijze werkzaamheden te verrichten.

4.3.1.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep E. Vastert heeft in reactie op het rapport van de deskundige te kennen gegeven dat beperkingen voor het vasthouden en verdelen van de aandacht en het herinneren volgens de CBBS-instructies alleen worden toegekend indien er sprake is van een ernstige stoornis. Hiervan is bij appellante blijkens het rapport van de deskundige geen sprake. Ook arts De Leeuw, die appellante op het spreekuur van 18 februari 2016 zag, heeft bij psychisch onderzoek vastgesteld dat sprake was van een goede concentratie en aandacht en een goed geheugen. Dit past niet bij de door de deskundige vastgestelde beperkingen op de aspecten 1.1, 1.2 en 1.3.

4.3.2.

Anders dan de deskundige ziet de verzekeringsarts bezwaar en beroep verder geen aanleiding om een urenbeperking aan te nemen. Het dagverhaal is redelijk gevuld en appellante slaapt overdag niet. Gezien dit dagverhaal is er ook geen reden om te stellen dat er op de datum in geding sprake was van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. De primaire arts en verzekeringsarts bezwaar en beroep Krajewski-Slingerling zijn dan ook terecht uitgegaan van de in de FML vermelde restmogelijkheden voor arbeid.

4.4.

De deskundige heeft in een aanvullend rapport gereageerd op de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Zij stelt dat – gelet op het ontwikkelingsverloop en het ontbreken van een zinvolle daginvulling – de onderliggende onverwerkte traumatische gebeurtenissen sinds de uitval in 2015 zijn geluxeerd en mede het toestandsbeeld bepalen. Door een beperkt mentaliserend vermogen, onvermogen en schaamte zich bloot te stellen aan de pijnlijke ervaringen hebben behandelpogingen niet geleid tot vermindering van de klachten, waardoor deze aanhouden en invaliderend zijn. De deskundige acht het aannemelijk dat er ten tijde in geding, ten gevolge van de complexiteit van de gestelde diagnoses, cognitieve beperkingen aanwezig waren. Appellante werd op de datum in geding dan ook niet geacht te functioneren in arbeid.

4.5.

In reactie op het aanvullende rapport van de deskundige heeft verzekeringsarts bezwaar en beroep Vastert te kennen gegeven dat de deskundige geen nieuwe feiten heeft aangevoerd en geconcludeerd dat er geen reden bestaat om af te wijken van zijn eerdere standpunt.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

In geschil is of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellante per 1 mei 2016 meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen.

5.2.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd over haar fysieke klachten vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Met de rechtbank en op grond van dezelfde overwegingen wordt geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de fysieke belastbaarheid van appellante, zoals die door de verzekeringsartsen van het Uwv in de FML van 19 februari 2016 is aangenomen. Hieraan wordt toegevoegd dat uit de in hoger beroep ingediende informatie van neurochirurg Driesse blijkt dat bij appellante in maart 2018 een kleine prolaps op niveau L4-5 met enige wortelbeïnvloeding is vastgesteld. Het stellen van een diagnose is echter niet doorslaggevend. Het gaat er primair om of de aandoening aanleiding geeft tot het vaststellen van (aanvullende) beperkingen. Uit de door appellante overgelegde informatie van de neuroloog blijkt niet dat de verzekeringsartsen de omvang en ernst van de fysieke beperkingen van appellante hebben onderschat.

5.3.

Ten aanzien van de stelling van appellante dat haar psychische klachten zijn onderschat wordt het volgende overwogen. Als uitgangspunt geldt volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 6 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4287) dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde, deskundige volgt indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Het Uwv kan worden gevolgd in zijn standpunt dat het vaststellen van de belastbaarheid valt onder de deskundigheid van een verzekeringsgeneeskundige. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 14 februari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:492) heeft overwogen kan daaruit echter niet de conclusie worden getrokken dat een door de bestuursrechter geraadpleegde medisch deskundige zich in het geheel niet zou mogen uitspreken over de juistheid van de FML. Dit blijkt alleen al uit het feit dat de vraag naar de juistheid van de FML een vast onderdeel is van de vraagstelling aan de deskundige in geschillen over de medische beoordeling in arbeidsongeschiktheidszaken. Dat neemt echter niet weg dat de in 5.2 genoemde vaste rechtspraak ook impliceert dat een gemotiveerde, zo nodig met medische gegevens onderbouwde, betwisting door het Uwv van het standpunt van de door de rechter geraadpleegde deskundige onderdeel uitmaakt van de toetsing van de bestuursrechter.

5.4.

Het rapport van de door de Raad geraadpleegde deskundige geeft weliswaar blijk van een zorgvuldig onderzoek, maar de deskundige heeft niet voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat er een objectief medische noodzaak is voor het aannemen van aanvullende beperkingen in de FML van 19 februari 2016.

5.4.1.

In reactie op de door de deskundige voorgestelde beperkingen op de aspecten 1.1 (vasthouden van de aandacht), 1.2 (verdelen van de aandacht) en 1.3 (herinneren) wegens de bij appellante vastgestelde psychische stoornissen, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep deugdelijk gemotiveerd dat beperkingen op deze aspecten volgens de CBBS‑instructies alleen worden toegekend als er sprake is van een ernstige stoornis. Van belang is in dit verband het bepaalde in de CBBS-basisinformatie bij deze beoordelingspunten, waar het volgende is opgenomen:

“1.1. vasthouden van aandacht

Over het algemeen zal een afwijking in het vasthouden van de aandacht alleen voorkomen bij mensen met een ernstige stoornis. Denk daarbij aan cliënten met een manie, een psychose, ADHD, een ernstige depressie, of met ernstige schade in de hersenen, aangeboren of verworven.”

“1.2. verdelen van aandacht

Verdelen van de aandacht (dit beoordelingspunt) vereist dat iemand zich los kan maken van een bepaald object van aandacht inclusief de eigen gedachten en gevoelens. Het gaat om het soepel kunnen omschakelen naar een voorwerp van aandacht met behoud van overzicht op het geheel van de verschillende informatiebronnen.

Het niet goed kunnen verdelen van de aandacht is een symptoom bij psychiatrische, neurologische en ontwikkelingsstoornissen en sluit daarmee aan bij het begrippenkader van de verzekeringsarts.

Preoccupatie met eigen problemen, obsessieve gedachten en fixaties kunnen daarom een belemmering vormen voor een adequate aandachtsverdeling.”

“1.3. herinneren

Over het algemeen zal een beperking in het herinneren alleen voorkomen bij mensen met een ernstige stoornis. Denk daarbij aan cliënten met een dementie, M. Wernicke-Korsakow of met ernstige schade in de hersenen, aangeboren of verworven.”

5.4.2.

Gelet op deze instructie wordt het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat bij appellante geen sprake is van een stoornis die beperkingen voor het vasthouden en verdelen van de aandacht en het herinneren rechtvaardigt onderschreven.

5.4.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder op overtuigende wijze uiteengezet waarom op de datum in geding geen sprake was van een situatie van geen benutbare mogelijkheden en er evenmin reden was om voor appellante een urenbeperking aan te nemen.

5.5.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 19 februari 2016 worden de geselecteerde functies, gelet op de daaraan verbonden belasting, in medisch opzicht geschikt geacht voor appellante. Dit heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep inzichtelijk en overtuigend toegelicht in het rapport van 12 augustus 2016.

5.6.

Uit 5.2 tot en met 5.5 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2020.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) P. Boer