Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:482

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2020
Datum publicatie
02-03-2020
Zaaknummer
18/2988 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:3053, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft bij besluit van 23 december 2016 vastgesteld dat appellante met ingang van 24 januari 2017 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. In navolging van de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het medisch onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest. De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag geselecteerde functies (met uitzondering van de functies met SBC-code 315040 en 267040) in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2988 ZW

Datum uitspraak: 27 februari 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 april 2018, 17/2694 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.I.T. Sopacua, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2020. Namens appellante is verschenen mr. Sopacua. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als assistent manager/verkoper voor 39,26 uur per week, toen

zij zich met ingang van 31 augustus 2015 voor dit werk ziek meldde met lichamelijke klachten. Haar dienstverband is op 19 januari 2016 geëindigd. Het Uwv heeft appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2.

Op 19 februari 2016 heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts.

Deze arts heeft appellante per 23 maart 2016 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van assistent manager/verkoper. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 21 maart 2016 de ZW-uitkering van appellante per 23 maart 2016 beëindigd. Bij besluit van 1 september 2016 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 maart 2016 gegrond verklaard, de beslissing van 21 maart 2016 ingetrokken en bepaald dat appellante vanaf 23 maart 2016 ongewijzigd recht heeft op een ZW-uitkering. Aan het besluit van 1 september 2016 ligt een rapport van 30 augustus 2016 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

1.3.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts

appellante op 31 oktober 2016 gezien. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante bekend is met de ziekte van Ménière. De hieruit voortvloeiende beperkingen zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 17 november 2016. Appellante moet volgens de verzekeringsarts in staat worden geacht om werk te doen zonder deadlines, productiepieken en persoonlijk risico, blootstelling aan lawaai, hectiek, lopen en staan. De verzekeringsarts heeft op grond van de anamnese vastgesteld dat de aanvallen wat minder zijn geworden, nu circa twee keer per week en wat korter duren (twee tot tien minuten). Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet in staat is haar eigen werk te verrichten, vervolgens zes functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante meer dan haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 23 december 2016 vastgesteld dat appellante met ingang van 24 januari 2017 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.

1.4.

Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar aanleiding van het bezwaar

van appellante dossieronderzoek verricht en aansluitend aan de hoorzitting van 9 maart 2017 appellante onderzocht. In het rapport van 13 maart 2017 heeft deze arts op basis van de anamnese vastgesteld dat appellante ongeveer 3 keer per week aanvallen heeft van Ménière waardoor zij circa 4 uur niets kan. De aanvallen zijn niet voorspelbaar en belanghebbende voelt ze meestal ook niet aankomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de FML van 13 maart 2017 aanvullend aangegeven dat sprake is van een gehoorprobleem, dat appellante voor vervoer aangewezen is op de hulp van anderen en dat een solitaire functie niet mogelijk is. Daarnaast zal er in de werkzaamheden enkele malen per week sprake kunnen zijn van een aantal uren verzuim. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in een rapport van 15 maart 2017 vastgesteld dat de aan de primaire beoordeling ten grondslag gelegde functies gehandhaafd kunnen blijven. Bij besluit van 17 maart 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 december 2016 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft aannemelijk geacht dat appellante ook beperkt is ten aanzien van klimmen en traplopen. Ten aanzien van de werktijden heeft de rechtbank overwogen dat weliswaar structureel sprake is van aanvallen, maar dat niet is aan te geven wanneer in de week een aanval plaatsvindt. De aanvallen en de daarop volgende periode van vier uur ‘niets kunnen doen’ kunnen dus bijvoorbeeld in het weekend plaatsvinden. Verder heeft de rechtbank overwogen dat appellante niet met medische stukken heeft aangetoond dat sprake is van beperkingen in handelingstempo. Uitgaande van de juistheid van de in bezwaar aangepaste FML, en met inachtneming van beperkingen ten aanzien van klimmen en traplopen, acht de rechtbank twee van de geselecteerde functies niet geschikt voor appellante, in verband met gevaarsrisico bij traplopen. Dit betreft de functies met SBC-code 315040 en 267040. De rechtbank acht in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 15 maart 2017 voldoende toegelicht waarom appellante de vier overgebleven functies kan verrichten.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante gesteld dat er medische gronden bestaan om een urenbeperking aan te nemen. Appellante heeft gesteld dat zij minimaal op één werkdag voor minimaal vier uur is uitgeschakeld. Daarbij komt dat appellante als gevolg van kleinere aanvallen dagelijks beperkingen ervaart wat betreft het aantal te werken uren. Daarnaast is appellante van mening dat er aanleiding is voor een beperking wat betreft valrisico en handelingstempo. Verder kan appellante in verband met het valrisico niet alleen werken.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.2.

In navolging van de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het medisch onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft aannemelijk geacht dat appellante ook beperkt is ten aanzien van klimmen en traplopen. Dit oordeel is in hoger beroep niet betwist. Het oordeel van de rechtbank dat de medische situatie van appellante op de datum in geding, 24 januari 2017, voor het overige niet onjuist is ingeschat, wordt onderschreven. Het Uwv heeft het bestreden besluit kunnen baseren op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 maart 2017, waarin op kenbare wijze de informatie van de behandelend sector bij de beoordeling is betrokken en waarin de bevindingen tijdens de hoorzitting op 9 maart 2017 zijn vermeld. Over de aanvallen van Ménière heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vermeld dat appellante ongeveer 3 keer per week aanvallen heeft waardoor zij ongeveer 4 uur niets kan. De aanvallen zijn niet voorspelbaar en appellante voelt ze meestal ook niet aankomen. In verband hiermee heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML van 13 maart 2017 aanvullend een beperking neergelegd ten aanzien van vervoer (niet alleen reizen). Daarnaast acht deze verzekeringsarts appellante in verband met mogelijke aanvallen van draaiduizeligheid aangewezen op werk waarin kan worden teruggevallen op directe collega’s of leidinggevenden (geen solitaire functie) en heeft hij in de FML rekening gehouden met de door appellante genoemde beperking dat zij niet alleen kan werken.

4.3.

Appellante heeft in hoger beroep geen medische informatie ingebracht waaruit is af te leiden dat in de FML van 13 maart 2017 aanvullende beperkingen moeten worden neergelegd ten aanzien van valrisico en handelingstempo. Het standpunt van appellante dat ten onrechte geen urenbeperking is gesteld, wordt evenmin gevolgd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft genoegzaam onderbouwd dat er geen sprake is van een structurele dagelijkse beperking ten opzichte van de normale werktijden. Deze verzekeringsarts heeft afdoende toegelicht dat de FML geen beperkende score biedt in de specifieke situatie van appellante. Dit is ondervangen door in de overige beperkingen ten aanzien van werktijden te verwijzen naar de aanvallen van Ménière. Verder is niet gebleken dat het verzuimrisico van appellante als gevolg van de aanvallen van Ménière dusdanig is dat inzetbaarheid en continuïteit in werk hiermee niet verenigbaar zou zijn. Appellante heeft in beroep een logboek ingebracht, met een overzicht van de frequentie van de aanvallen gedurende een aantal maanden. Het standpunt van het Uwv dat uit dit overzicht niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van een onacceptabel verzuimrisico, wordt onderschreven.

4.4.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag geselecteerde functies (met uitzondering van de functies met SBC-code 315040 en 267040) in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.

4.5.

Uit wat in 4.2 tot en met en 4.4. is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt, en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van F.E.M. Boon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2020.

(getekend) T.Dompeling

(getekend) F.E.M. Boon