Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:458

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2020
Datum publicatie
27-02-2020
Zaaknummer
19/1204 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ter zitting is gebleken dat het college de hulpvraag van appellante onjuist heeft vastgesteld. Appellante heeft te kennen gegeven dat zij behoefte heeft aan voortdurende activering en afleiding, zowel binnen- als buitenshuis. Voor de extra kosten die deze zorg meebrengt, wil zij een tegemoetkoming. Omdat het college de hulpvraag niet correct in beeld heeft gebracht, heeft het college ook de specifieke ondersteuningsbehoefte van appellante niet kunnen vaststellen. Als gevolg hiervan is evenmin duidelijk of, en zo ja welke maatwerkvoorziening moet worden verstrekt. De Raad ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Gelet op de bijzondere omstandigheden en het zwaarwegende belang van appellante bij een finale beslechting van dit langlopende geschil, acht de Raad het passend overeenkomstig de hulpvraag van appellante een tegemoetkoming meerkosten als bedoeld in artikel 21 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Delft 2019 van € 500,- per maand te verstrekken voor de periode van 1 februari 2020 tot en met 11 mei 2020.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2020/81
Gst. 2020/79 met annotatie van J.C. de Wit, E. Linthorst
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1204 WMO15

Datum uitspraak: 26 februari 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Delft van 13 februari 2019

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Delft (college)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 3 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3108, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 december 2016, 16/4939, vernietigd, het besluit van 12 mei 2016 vernietigd onder gegrondverklaring van het tegen dat besluit ingestelde beroep en het college opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 20 oktober 2015, met inachtneming van de uitspraak van de Raad. Daarbij is met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het door het college nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Het college heeft op 13 februari 2019 een nieuw besluit genomen (bestreden besluit).

Namens appellante heeft mr. R.G. Groen, advocaat, tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2020. Appellante is verschenen, vergezeld van [X.] en bijgestaan door mr. Groen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Pieter.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Voor een weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 3 oktober 2018.

1.2.

Het college heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 oktober 2015 gegrond verklaard en dat besluit ingetrokken. Het college heeft appellante voor de periode van 12 mei 2015 tot en met 11 mei 2020 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een maatwerkvoorziening voor begeleiding individueel voor 3,5 uur per week en begeleiding groep voor 10 dagdelen per week verstrekt, in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Het college heeft voor de onderbouwing hiervan verwezen naar het onderzoeksrapport dat de Wmo-consulenten hebben opgemaakt naar aanleiding van het huisbezoek op 28 november 2018 en de brief van [X.] van 18 december 2018.

2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft hierbij aangevoerd dat de verstrekte maatwerkvoorziening niet aansluit op de reële behoefte van appellante. Het college heeft de daadwerkelijke behoefte van appellante miskend en te laag ingeschat. Hierdoor is de in het bestreden besluit genoemde tijdsbesteding te laag berekend en daardoor is het pgb te laag.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, zoals dat is weergegeven in het onderzoeksrapport met de aanduiding ‘Gespreksverslag Wmo’, voldoet niet aan de daaraan uit een oogpunt van zorgvuldigheid en motivering te stellen eisen. Ter zitting is namelijk gebleken dat het college de hulpvraag van appellante onjuist heeft vastgesteld. Appellante heeft te kennen gegeven dat zij behoefte heeft aan voortdurende activering en afleiding, zowel binnen- als buitenshuis. Voor de extra kosten die deze zorg meebrengt, wil zij een tegemoetkoming. Omdat het college de hulpvraag niet correct in beeld heeft gebracht, heeft het college ook de specifieke ondersteuningsbehoefte van appellante niet kunnen vaststellen. Als gevolg hiervan is evenmin duidelijk of, en zo ja welke maatwerkvoorziening moet worden verstrekt. Het betoog van het college dat [X.] is gevraagd in kaart te brengen welke ondersteuning hij biedt, en dat op grond van zijn informatie de maatwerkvoorzieningen begeleiding individueel en groep zijn toegekend, miskent de eigen verantwoordelijkheid die het college heeft bij het vergaren van kennis over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. De Raad wijst het college nogmaals op zijn uitspraak van 21 maart 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:819, rechtsoverweging 4.4.2). De beroepsgrond van appellante slaagt.

3.2.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb in samenhang met de artikelen 3:46 van de Awb en 2.3.2 van de Wmo 2015. Dit betekent dat het bestreden besluit moet worden vernietigd, met uitzondering van de beslissing over de vergoeding van de kosten in bezwaar. De Raad ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat de procedure al lang loopt, het college al eerder in de gelegenheid is gesteld het gebrek in de besluitvorming te herstellen, dit nog steeds niet is gelukt, de periode waarover de maatwerkvoorziening is verstrekt bijna is verstreken en appellante heeft laten weten het verstrekte pgb niet te willen gebruiken. Gelet op deze bijzondere omstandigheden en het zwaarwegende belang van appellante bij een finale beslechting van dit langlopende geschil, acht de Raad het passend overeenkomstig de hulpvraag van appellante een tegemoetkoming meerkosten als bedoeld in artikel 21 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Delft 2019 van € 500,- per maand te verstrekken voor de periode van 1 februari 2020 tot en met 11 mei 2020.

4. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- in beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 13 februari 2019, met uitzondering van de beslissing over de vergoeding van de kosten in bezwaar;

  • -

    herroept het besluit van 20 oktober 2015;

  • -

    verstrekt aan appellante voor de periode van 1 februari 2020 tot en met 11 mei 2020 een tegemoetkoming meerkosten van € 500,- per maand en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 13 februari 2019;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.050,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellante het in beroep betaalde griffierecht van € 47,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma als voorzitter en R.E. Bakker en W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van E. Diele als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2020.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) E. Diele